Joost Bataille fotografeerde vijftig stadsdichters

Elk portret is een zelfportret

‘Ik voel me verf’ is een boek met vijftig portretfoto’s van stadsdichters, met bij elk een gedicht van de geportretteerde over de ontmoeting met de fotograaf, Joost Bataille.





fotograaf zoekt sanseveria

of hij mij op een ijskoude zondag in maart
honderd keer mag nemen want ik rijm zo mooi
met de troosteloze straat waarin ik woon

en inderdaad; de huizen staren uit hun ramen
gordijnen vriezen in hun vouwen vast
een bloempot beeldt een orchidee uit

ik mag niet lachen. hij wel. zijn ogen spreken
de straat aan en af. hij lacht naar de lantaarnpaal
en onder zijn blik staan de beukenhagen te blozen

hij kleeft mij midden op het kruispunt. ik versteen,
verkleed als een koud meisje met te veel armen
om ergens te laten en een gezicht dat pret verbijt

we ontdooien in een warm huis, snijden rug aan rug
groenten en trekken een fles wijn later
een ijzige lentenacht over ons heen
 


Het is me nooit gelukt een mooie portretfoto te maken. In dit boek zie ik hoe het wel moet. Het lijkt zo eenvoudig: zwart-wit, achtergrond onscherp, kop van de dichter laag in beeld. Zo zou ik het ook moeten kunnen. Maar toch ik heb er weinig hoop op.
Misschien zit het geslaagde van de foto’s in de blik waarmee de geportretteerden naar de camera kijken. Alhoewel, naar de camera? Waar kijken ze eigenlijk naar, Joost? Naar jou? Naar mij?

‘Hij zou mij aan u voorstellen en ik stelde mijn uw ogen voor’. Zo zegt Hilde van Cauteren het en dat vat het mooi en kernachtig samen.
In eerste instantie willen mensen flatteus op de foto, willen ze er vriendelijk of leuk of aantrekkelijk of slim uitzien. Dan hebben ze de persoon die naar de foto kijkt in hun hoofd, die druk wordt gevoeld. Dat soort foto’s maak ik meestal niet, zeker niet voor mezelf.

Joost BatailleEn dit was iets wat je voor jezelf wilde doen?
Zeker. Het project is deels ontstaan uit het verlangen eens voor mezelf portretten te kunnen maken, zonder opdrachtgever. Wat zou eruit komen als ik het eens mag doen zoals ik het zelf mooi vind? In elk geval in zwart-wit, bij voorkeur op film, de digitale camera slechts als kladblok, iets van stad erbij omdat het stadsdichters zijn maar geen ‘Groeten uit’-ansichtkaart. En in de stad van de dichter.
Dat is het kader waarbinnen ik wilde werken. Er is een onderwerp – een portretfoto van een stadsdichter – en er zijn een paar uitgangspunten voor hoe het eruit moet zien. Dat is voldoende om aan de slag te gaan. Binnen dat kader is er ruimte en wilde ik het loslaten. Ruimte laten om iemand te ontmoeten. Iemand die zich daarvoor openstelt. Want alle dichters hebben ‘ja’ gezegd op mijn vraag of ik ze mocht portretteren en of ze daar over wilden schrijven. Dat was de luxe van dit project. Veel tijd, veel aandacht, bereidheid, koffie.
Dan nog blijkt het een hele opgave. Lees maar wat er geschreven wordt door de dichters. Daar hoef ik niets aan toe te voegen, alles komt voorbij.
Een portretfoto is een verslag van een ontmoeting, leerde ik.

Waar gaat het om bij die ontmoeting?
Dat is een goede en essentiële vraag. In eerste instantie had ik nog het idee dat ik een antwoord zou vinden op de vraag wat een portretfoto is, dat daar een pasklaar antwoord op te vinden is. Halverwege begon ik te begrijpen dat dat er niet is. Dat kwam ook doordat de gedichten die ik kreeg zo verschillend en persoonlijk waren. Een verslag van een ontmoeting, die zin begon langzaam betekenis te krijgen. Daar ben ik ook anders van gaan fotograferen.

Anders?
Bijna iedereen die poseert heeft camera-angst. Dat is normaal. Met aandacht en tijd kun je dat bijna altijd overwinnen en dan kom je toe  aan een persoonlijker foto. Dan wil ik graag iets zien van die ander, dat die zich aan mij toont. Maar dat kun je eigenlijk niet eens vragen, laat staan afdwingen. Dat moet toch gebeuren of ontstaan, dat moet ter plekke aan de orde en passend zijn.
Kijk bijvoorbeeld eens naar Eddy de Buf. We doen ons best maar komen er niet uit. Daar gaat het gedicht over en de foto vertelt hetzelfde verhaal. Missie geslaagd, vind ik dan. Ook in gedicht en foto van Inge Boulonois voel je het onvermogen.
Als ik een portret maak, zit daar mijn beeld van die ander in. En dat zal dan meestal ook iets over mezelf zeggen. Wat ik zie in de ander zit meestal ook in mezelf, ik herken het en daarom valt het me op. Elk portret is een zelfportret; dat is de fotografische vertaling van dit idee.


 


Gêne


Een straat met kinderkoppen, of nee
Een overdekte parking met enkel spanten en gebinten
geen dak
Of toch gewoon in het parkje aan de overkant
Drie plekken waar we het konden doen.

           Geen script, geen gedicht
           Geen uitleg, tekst of plan
           Enkel dat je naar buiten wouw.

                      Daar te staan, tegenover elkaar
                      Te kijken, te bekijken, bekeken worden
                      Te zien hoe, en hoe 
                      het nu verder moet.

            Ik in mijn West-Vlaams accent

                      ‘Gehinderdheid’, de handen diep in mijn donkere jas
                      Ziel.

We hadden weinig woorden meegenomen
Het werd het parkje aan de overkant.

                      ‘Het geeft niet’, dacht ik bij mezelf
                      ‘Wie zijn handen toont, toont zijn ziel!’

 

Grappig genoeg vind ik de foto van Eddy de Buf en het gedicht erbij een van de aardigste combinaties uit het boek. Ongemak kan heel charmant zijn en is in ieder geval herkenbaar.
Wat zeggen deze foto’s over jou, denk je?

Ik pas. Als jij er wat van vindt, nodig ik je uit dat op te schrijven. Ik doe het niet zelf.

Ik zou hier toch de vragen stellen…
Ik heb trouwens nog geen duidelijk antwoord op mijn eerste vraag: waar kijken ze naar?

Ze kijken naar mij: een middelbare jongensachtige man achter een grote zwarte camera op statief die even onzeker als trefzeker een foto aan het maken is. Intussen heb ik ze meestal gevraagd om in de lens te kijken maar ze zien me natuurlijk toch bezig. Ik ben dan hoofdzakelijk met het beeld in de zoeker bezig: is ‘ie goed zo?
Voorafgaand aan het maken van de foto zit ik te praten met de ander, dat is een wederzijds kennismaken. Op een bepaald moment moeten we daar beiden uitstappen. Ik moet een foto maken en de ander moet poseren. Dat verandert de verhouding wezenlijk.
‘Ik zocht controle in het glas, het objectief dat ons met elkaar verbond’, zegt Hilde dan weer.

Een foto van jezelf bekijken kan heel confronterend zijn. Maar hoe was het voor jou om van vijftig bedachtzame mensen te lezen hoe ze hun ontmoeting met jou hebben ervaren?
Ik stond onder de douche en dacht ‘Shit, ze gaan natuurlijk ook over mij schrijven’. Dat is beangstigend en vleiend tegelijkertijd. Ongeveer zoals geportretteerd worden. ‘Maar als ik aan zo’n dichter vraag om zich open te stellen, moet ik zelf ook met de billen bloot’, dat was de overweging waarmee ik mezelf over de streep trok.
De gedichten kwamen per e-mail, meestal een paar dagen na het maken van de foto. Ik durfde ze nooit meteen open te maken, liet ze meestal een dag of wat liggen.
En dat het hier en daar over mij gaat, maakt ook in woorden heel duidelijk dat ik – de fotograaf – er ook inzit, in die foto. Dat het mijn blik is, die die foto maakt. Dat het net zoveel over mij als over de geportretteerde gaat. Dat lijkt me toch weer een rustgevende gedachte, als je moet poseren.

Welk beeld had je van stadsdichters voor je aan dit project begon?
Ik had daar niet zo’n beeld van. Het mooie van stadsdichters is dat ze zichtbaarder zijn, vaak gewoon in de krant publiceren en over onderwerpen uit het dagelijkse stadsleven schrijven. Dat maakt hun poëzie toegankelijker, je weet enigszins waar het over gaat. Ze bestrijden het cliché-beeld dat een dichter op z’n koude zolderkamer over een verloren liefde zit te schrijven en da’s goed.
En ik zag hier en daar een enorme hartstocht en betrokkenheid bij de stad. Dat was ontroerend. Dichters die vinden en merken dat hun werk er toe doet. Dat het stadsdichterschap veel betekenis heeft. Er komt ineens een dichtregel van je in de kademuur.
Ik heb iets gemeen met de meesten van de dichters. We willen ons op een of andere manier uitdrukken, willen laten zien wat we van de wereld vinden en hoe we ons daarin overeind houden. De vorm waarin je dat doet, maakt eigenlijk niet zoveel uit. Ik was vroeger muzikant: zelfde verhaal, andere vorm. Hoewel het mij in fotograferen beter lukt.
Het Vlaamse Poëziecentrum houdt een lijst bij met Nederlandse en Vlaamse stadsdichters. Daar ben ik mee begonnen. Eerst proberen wat te lezen van een dichter en pas als me dat aansprak, ging ik contact zoeken. Dat bepaalt natuurlijk ook m’n beeld. Het zijn normale mensen, al zijn sommigen zorgelijk arm.

Over geld gesproken: dit lijkt me een tamelijk kostbare onderneming.
Het begon niet zo duur. Ik leef van m’n werk als freelance fotograaf en betaalde daarvan treinkaartjes en film. Meer was het niet, dat was allemaal te overzien. Ik vond het vaak een uitje. Toen het boek er moest komen, werd het een ander verhaal. Na wat strubbelingen met een uitgever besloot ik om het in eigen beheer te gaan maken. Geen zin en tijd voor crowdfunding of subsidieaanvragen. Dat betaal ik van een reserve die ik in florissanter tijden heb aangelegd. Een betere besteding dan dit boek weet ik daar trouwens niet voor. Dit fotoproject vraagt om een publicatie en een boek is de passende vorm.
Dankzij vormgever Leonie Verbrugge is het prachtig boek geworden – leg het in de zon, dan bloeit de gele omslag op.