Recensie van Nul - Edwin Fagel

Alle grenzen uitgewist

Edwin Fagel
Nul
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2014
ISBN 9789046817216
€ 17,50
64 blz.


Dit gebeurt er, als ik begin in de bundel Nul  van Edwin Fagel.
 


hij zit op de wc van zijn hotelkamer als hij opkijkt ziet hij
zich naakt en poepend in de deur weerspiegeld ziet hij haar
zitten ze houdt haar benen wijd haar beide handen tussen
zijn benen wat is dit denkt hij als hij naar haar ogen
[ … ]

fragment van: ‘ontdoe u’
 

‘Dichten over poepen, moet dat nou? Gadverdamme’, denk ik. Wil de dichter choqueren, is dat niet puberaal? De uitgever schrijft in zijn hoeratekst over Nul: ‘Krachtig, duister en intrigerend. [ … ] een intrigerende zoektocht naar de kern van ons bestaan. Nul is een duistere kracht waar alles samenkomt.’
‘Het zal wel’, denk ik. Maar wat is dan die kracht van Nul, waarin is deze dichter intrigerend? Om daar achter te komen, verdiep ik me verder in de bundel. In het tweede gedicht, ‘la vie la mort la vie’ wordt een scène minuut voor minuut beschreven. De zevende minuut verloopt als volgt:
 

18.59

ook naar de wc begint ze iets in haar tas te zoeken
maar vindt het niet misschien ergert ze zich
aan me ik weet het niet stront schrijft kundera is het
dagelijks bewijs dat men de schepping niet aanvaardt

Zie je wel, de dichter provoceert door middel van poep. Stront is het symbool voor verzet. En intussen probeert hij er iets chics van te maken door een beroemd schrijver te citeren. In het volgende gedicht, ‘liedje’, vervaagt de grens tussen erotiek en een gruwelijke slachting. Het thema van Nul begint zich af te tekenen. Fagel wil met alle macht grenzen uitwissen: de grens tussen erotiek en moord, tussen leven en dood, werkelijkheid en illusie en vooral de grens tussen twee mensen.
 

en telkens

ze denkt zeker dat niemand haar
ziet maar ik zie haar als ze in de keuken staat
en terwijl ze een pan afgiet en de stoom omhoogkomt
lijkt ze te dromen o denk ik als die droom
te maken heeft met mij als ik achter die gesloten ogen
mag zijn en als ze aan niets denkt dan mijn lichaam
en haar handen niets voelen dan mij

[ … ]

we vloeien van het ene lichaam
in het andere de moedervlek in mijn hals is
de moedervlek in je hals

Vanaf dit punt zie ik hem overal grenzen uitwissen. In ‘ze is net als ik':
 

[ … ]

ze zit op de wc steunt met haar ellebogen
op haar knieën ik ruik haar ontlasting
en als ze haar hand naar achteren brengt
zingt het in me ze is net als ik

[ … ]

maar toch beweegt ze haar heupen alsof ze de branding is
als ik begin klaar te komen kijkt ze me recht aan
ze opent haar mond haar lichaam is vol
haar borsten aan mijn borst en dan stroomt ze
over en dan stroom ik
      over
      de oevers stroomt ze
      en in mijn lijf stroomt ze
 

Twee geliefden worden een door middel van het orgasme, maar ook doordat beiden zich ontlasten. Daarom hoort poep in deze bundel, niet omdat de dichter ergens schijt aan heeft, maar omdat hij alle grenzen wil uitwissen, ook die tussen het verhevene en het banale.

‘Spiegelbeeld’ ervaar ik als een scharnierpunt in de bundel. Dit gedeelte bestaat uit drie gedichten, of een driedelig gedicht. Door het ontbreken van interpunctie en het doorlopen van de zinnen vervagen ook grenzen tussen gedichten. Hier wordt het beeld bevroren, als in een filmstill of een schilderij van Hopper:
 

je staat alsof je halverwege bent gestopt
met omdraaien alsof je je afvraagt
of dat omdraaien de moeite waard is
recht op je standbeen en je andere
been iets scheef de hond
hangt in de riem voor zich uit te kijken
het licht springt op groen ik trek op
     terwijl ik naar je kijk in mijn
achteruitkijkspiegel wordt het
langzaam lichter tussen de gebouwen
ik zie het aan de meeuw
die boven je hangt er is iets
met het licht het had een
verduistering kunnen zijn
     als ik afsla sta je nog
in dezelfde houding op het gras
waar vraag ik je nu je
verdwijnt wil je naartoe of preciezer
waar wil je naar terug?
 

Op dit punt vraagt de ‘ik’ zich af, wat zich in de waargenomen figuur afspeelt. In de latere gedichten wist hij weer grenzen uit. Tussen personen, tussen een kat, een man en een gedachte. In ‘hahahahaha’ over een blonde fotografe: / de gedachte dat ik was omgedraaid in haar lens / en omgedraaid in haar hoofd vond ik grappig/. Tussen de ‘ik’ en de duivel, de hel en het paradijs, de zon en het oog: // ik kijk naar de zon (y) / en wat zie ik : niets ??. Tussen de mens en god, toekomst en heden, dood en leven, Eros en Thanatos, vergaan en bestaan, vraag en antwoord, leegte en vervulling, alles en niets. En niets is nul, dus nul is alles. Zoveel macht kan alleen een dichter hebben. Dat is de kracht van Fagels Nul.
 

***
Edwin Fagel(1973) is dichter, neerlandicus, journalist, hoofdredacteur van het poëzietijdschrift Awater en redacteur van het webzine deRecensent. Eerder verschenen van hem Uw afwezigheid (2007), dat genomineerd werd voor de C. Buddingh’-prijs en bekroond met de Jo Peters PoëziePrijs, en Het geroofde lichaam van Charlie Chaplin (2011). In 2013 verscheen nog het Halverwege Chapbook departures.