Recensie van Kameleon - Charlotte Van den Broeck

Een veelbelovend debuut

Charlotte Van den Broeck
Kameleon
Uitgever: De Arbeiderspers
2015
ISBN 9789029538435
€ 18,99
64 blz.

Charlotte Van den Broeck (1991) debuteerde eind januari met Kameleon. Ze was al bekend in het Slam-circuit: ze stond in de finale van DichtSlamRap en neemt dit jaar deel aan de ‘Saint Amour tour’ en het ‘Poëziebordeel’. Aan sommige gedichten zie je door herhalingen en een sterk ritme dat zij in eerste instantie zijn geschreven voor een luisterend publiek. Ik citeer een paar regels uit de eerste en tweede strofe van ‘Hvannadalshnúkur’, een plaats in IJsland:

Vingertoppen, zuignappen, vooral niet slapen nu
als je niet gaat slapen nu, dan zullen we praten nu
dan kunnen  we praten, hier, boven deze lakens

(… ) nog een laatste uur, hier
in mijn lome lendenen, blijf, nog even praten nu
in de lome lendenen van mijn lijf

De herhalingen van ‘nu’, ‘hier’, ‘praten’, ‘slapen’ en ‘in mijn lome lendenen’ hebben in dit gedicht het karakter van een bezwering. Mooi is ook het rijm van het sterk benadrukte ‘blijf’ – dat ook nog eens tussen komma’s staat, wat een pauze veroorzaakt – en ‘mijn lijf’. Van den Broeck weet wat zij doet.

Kameleon heeft drie afdelingen: ‘Het rode kruis op de schatkaart’, ‘Discovery Channel’ en ‘De oorsprong’. In een interview met Wendy Reniers op Cleeft, de ‘community voor liefhebbers van Films, Boeken, Muziek, Theater, Kunst en Culinaire events’, zegt Van den Broeck: ‘De eerste cyclus is heel jong.  Dat gaat voor mij echt over naïviteit en jong-zijn en meisje-zijn en het ontdekken. De tweede cyclus is tot een mannelijk jij gericht en gaat over een liefdesrelatie. Hoe verhoud je je tot iemand van het andere geslacht? De derde cyclus gaat over moeder en kind, over teruggaan naar de oorsprong. Je bent ooit één persoon of in één lichaam geweest en nu zijn het twee personen. Hoe ga je daarmee om? En daarna kun je terug naar het begin, dus je zou het kunnen lezen als een cirkel.’

In dit citaat maakt zij de titel van de bundel duidelijk. Opvallend dat de vader slechts één keer in beeld komt, ofwel als afwezige ofwel als falende bedgenoot, en dan ook nog impliciet: alleen de ‘onbeslapen lakens’ van een bedroefde moeder komen ter sprake in ‘Wasserette de Netezon’. De dichter is schijnbaar naïef, dat blijkt wel uit deze indirecte formulering en ook uit haar keuze van het motto van Schiller. Over de vrouwelijke ‘Schein des Naiven’ zegt hij ‘daß die größte Macht des Geschlechts auf dieser Eigenschaft beruht.’

Op de achterflap staat onder andere: ‘Kameleon onderneemt een roadtrip naar een mogelijke vrouwelijke identiteit, die ergens tussen lichaam en taal geconstrueerd wordt’. Het gaat om de ‘naïeve wens naar een symbiotisch bestaan, dat – ondanks de rekbaarheid van poëzie – net niet bereikt kan worden.’ Het scheppen van een mogelijke identiteit kun je postmodern noemen. Met die constructie maakt zij tevens de asynchronische verhouding tussen taal en werkelijkheid tot thema en door de vaststelling dat taal niet bij machte haar verlangen te vervullen, kunnen we haar naast postmodern ook romantisch noemen.

In het volgende fragment, uit het gedicht met de lange titel ‘Mensen die natuurdocumentaires kijken om zichzelf beter te begrijpen’, combineert zij het onvermogen van taal met de wens om een mooi moment niet te laten verglijden in de tijd:

Spreken is maar schutkleur van vergeten
laten we hier nooit taal van maken
laten we hier de cijfers van de klokken
en de klokken van de muren stelen
tot het slechts cirkels zijn
die ons van niets beroven.

Het paradoxale is, dat je taal nodig hebt om de wens uit de tweede regel te formuleren en daarmee de klokken weer in beweging zet: het bezigen van taal kost nu eenmaal tijd. En daarmee is haar spel nog niet afgelopen: tijdverloop op zichzelf kan ook weer leiden tot stilstand: ‘Volgens de wetten van wederkerigheid / kan het steeds weer aan het begin komen’. Met het beeld van de klokken die slechts cirkels zullen zijn, kondigt zij dit al aan. Wie zo kan jongleren, is een talentvol dichter.

De flaptekst suggereert met die mogelijke constructie ‘ergens tussen lichaam en taal’, dat haar gedichten de ene keer een enigszins hermetisch en een andere keer een meer anekdotisch accent krijgen. Dat is ook inderdaad het geval en die met het anekdotische accent vind ik vooralsnog het best.

Een voorbeeld is het gedicht ‘Wasserette de Netezon’, dat ik al eerder noemde. Van den Broeck beschrijft daarin een stil verdriet van een moeder. De valkuil van sentimentaliteit is hier levensgroot en het knappe is dat ze daar niet instapt. Dat maakt het tot een ontroerend gedicht:

Mijn moeder huilt wanneer ze wast
 
Dat is een uitgelezen moment voor moeders om te huilen
omdat de ronddraaiende trommel van een wasmachine
over het algemeen veel lawaai maakt.
Ik kan haar wel horen snikken, maar slechts zo zachtjes
dat het omgevingsgeluid zou kunnen zijn.
 
Een wasmachine likt de wonden van de dag.
Je kan er namelijk alles instoppen, wat niet in je hoofd past.
Onbeslapen lakens bijvoorbeeld.
Of de tabaksgeur in de jas van je grootvader met keelkanker.
Lang programma, zestig graden, reinigingsritueel.
( … )

Minder goed vind ik een gedicht als ‘Seraphic light’, dat een enigszins hermetisch karakter heeft door de overvloed aan metaforen, die een zelfwerkzaamheid van de taal suggereren: het ene beeld lijkt het andere op te roepen. Ze houdt in dit gedicht mijns inziens geen maat en is tevens wat slordig. Ik citeer de eerste strofe en een gedeelte van de tweede:

De bek van een pelikaan spert open over de onder-
en bovenkant van mijn hele lijf, zo klein ben ik
een man die zijn cowboylaarsen uittrekt
en in een vis verandert, wat om zijn eigen as heen
en weer klopt op het dekbed als om genade
in een boksmatch.
 
Bij elke klop van het vissenlijf vliegen huidschilfers op
bij elke klop stoot een gymnaste, de handen vol talkpoeder
zich af in mijn hoofd ( … )

Ik heb moeite met dat woord ‘hele’ in de tweede regel. Dat is overbodig, omdat die onder- en bovenkant dat ‘hele’ al impliceert. Het zal er staan vanwege het ritme. En ‘wat’ in regel vier verwijst naar ‘een vis’. Ik had daar ‘die’ verwacht. Nog één: ‘zijn eigen as’ of ‘zijn as’? Dat laatste lijkt me voldoende.

Ik ga mee met het beeld van een pelikaan die zijn bek openspert en de vis die daardoor angstig spartelt. (Of moet je spreken van snavel? Dan ben je wel het halfrijm ‘bek’/’spert’ kwijt en je krijgt er een lettergreep bij). Moeilijker wordt het bij de koppeling van pelikaan en vis aan een dekbed. Dat is vreemd. Maar de vergelijking van het ene beeld met het andere wordt me echt teveel: een vis die op een dekbed spartelt ‘als om genade / in een boksmatch’ en een gymnaste die zich na iedere klop  afzet in het hoofd van de dichter – bewegingen die elkaar bovendien snel opvolgen bij een spartelende vis!

Het zij haar vergeven, want al met al is Kameleon een verrassend debuut met een aantal goede gedichten die bovendien een heel eigen toon hebben.
Ik hoop dat we nog veel van Charlotte Van den Broeck horen.