Recensie van Luceberts Zoekend Oog - H.U. Jesserun d´Oliveira

Aardige essays van een tijdgenoot van Lucebert

H.U. Jesserun d´Oliveira
Luceberts Zoekend Oog
Uitgever: Prometheus
2015
ISBN 9789044629934
€ 24,95
192 blz.

In Luceberts Zoekend Oog zijn essays bij elkaar gebracht die H.U. Jessurun d’Oliveira schreef tussen 1959 en 2014. Volgens de inleiding, of gebruiksaanwijzing zoals hij deze zelf noemt, gaat hij hierbij uit van het ergocentrische principe, ook gehanteerd in het literaire tijdschrift Merlijn, dat tussen 1962 en 1966 verscheen. Logisch, want Jesserun d´Oliveira maakte deel uit van de redactie van dat tijdschrift. Sommige van de hier gebundelde essays zijn afkomstig uit Merlijn.

´Ergocentrisch’ wil zeggen dat het werk van de dichter centraal staat in de bespreking, en niet de persoon. Dit uitgangspunt wordt uitvoerig toegelicht door de auteur, waarbij hij uitgebreid uitlegt wanneer en waarom hij ervan afwijkt. Iets te uitvoerig naar mijn smaak. Het komt wat verontschuldigend en krampachtig over, wat een gevolg kan zijn van het hanteren van een streng principe. Interessant hierbij is dat het eerste stuk in het boek een interview is met Lucebert, de persoon zelf, afgenomen in 1959 en eerder gepubliceerd in Tirade en in Scheppen riep hij gaat van Au.

Het interview begint intrigerend, ietwat provocerend met de mededeling dat de interviewer het bed deelt met de dichter.

`Ik hang in het duister op een tweepersoonsbed met een blauwe deken die als overtrek dient, en luister naar de muziek die uit een voortreffelijke versterker komt. Ik deel dit bed met Lucebert die van mij afgekeerd zit te luisteren met een zelfgerolde sigaret in de hand, de versterker is van een zoon van minister-president dr. J.E. de Quay die er tijdens zijn eerste oefening voor de militaire dienst toch niet over kan beschikken, de muziek is van Sonny Rollins en zijn groep, die momenteel `Sonnymoon for two´ spelen. Dit is een vreemde positie voor een interviewer. Ik kijk naar de nek van Lucebert, waarin de tijd net zoveel groeven heeft gelooid als hij kinderen heeft. Voor de statistici zijn dat er vijf. Maar verder is hij voor zijn vijfendertig jaar mooi geconserveerd.´

Tot zover het ergocentrisme. Op het bed spreken de letterkundige en de dichter over voorkeuren en invloeden. Het gesprek verloopt stroef , beide sprekers zijn dan ook ´binnenvetters´, aldus Lucebert. Op dat moment zou Lucebert voor de schilderkunst kiezen, als hij zou worden gedwongen een keuze te maken tussen pen en penseel. Hij dicht in die periode soms omdat hij het leuk vindt om te spelen, maar niet zelden slaat dat spel om in bittere ernst. ´Dan heb ik het gevoel dat ik met wat ik schrijf, mezelf iets aandoe. Poëzie wordt dan een vorm van emotionele zelfkritiek. Daarom wil ik mezelf in mijn werk graag vermommen, ik laat narren, keizers, mandarijnen en dergelijke figuren voor mij spreken en zodoende objectiveer ik mezelf een beetje´. Dat is een aardig kijkje in het hoofd van de dichter.

Dit werpt een verhelderend licht op bijvoorbeeld het gedicht ´tiran in ruste´, dat de essayist analyseert in ´Het gedicht als wereld´, een opstel dat verscheen in de tweede jaargang van Merlyn (1962-63). We kunnen het niet met zekerheid weten, maar de kans is groot dat de tiran een vermomming van de dichter is, die zichzelf de ´allesverguldende slaapbol´ gunt en met deze strofe eindigt:

ondanks alles kan ik mij nergens in vermeien
wreedheid is geen kwelgeest slechts een worm of made
geen wonder dat ik rade- en moede-
loos rondsluip rond het verloren ding ook in dit gedicht

Het is wel prettig om door een deskundig exegeet bij de hand te worden genomen om Luceberts weinig toegankelijke gedichten te openen. En het blijft altijd gevaarlijk omdat interpretaties niet los gezien kunnen worden van degene die interpreteert. Jessurun d´Oliveira is de eerste om in alle toonaarden op dit gevaar te wijzen. Een aardig werkje voor in de boekenkast van elke Lucebertliefhebber.

***

´Interview met Lucebert´ is voor het eerst verschenen in Tirade nr. 30, juni 1959, p.181-186, en later opgenomen in Scheppen riep hij gaat van Au (Polak & Van Gennep, 1965, herdrukt met een voorwoord van Thomas Vaessens, in de reeks Athenaeum Boekhandel Canon, Athenaeum Boekhandel en Amsterdam University Press, 2009).