Recensie van Lichtmeters - Ruth Lasters

In Lichtmeters neemt een verlichte schrijfster het woord

Ruth Lasters
Lichtmeters
Uitgever: Polis
2015
ISBN 9789463100120
€ 19,95
65 blz.

Ruth Lasters (1979) werd de voorbije jaren meermaals bekroond voor haar proza en haar poëzie. Het proza laat ik buiten beschouwing, maar dan nog maakt het aantal prijzen indruk: de Debuutprijs van het poëzietijdschrift Het Liegend Konijn voor de bundel Vouwplannen (2009), de Turing Gedichtenprijs voor het gedicht ‘Witlof’ en de Herman de Coninckprijs voor Lichtmeters (2016).
De bekroningen, de publicatie van Lichtmeters door een nieuwe uitgeverij, de toekenning van een werkbeurs voor het schrijven van de bundel en een vermelding van Lasters’ redacteur zijn elementen die literatuursociologische vragen oproepen. Welke criteria hanteren juryleden en redacties van tijdschriften, en waarom waagt een jonge uitgeverij zich aan het uitgeven van een dichtbundel? Wat motiveert het Fonds der Letteren om een werkbeurs toe te kennen voor het schrijven van enkele honderden woorden, en wat is de rol van een redacteur in het ‘tunen’ van een bundel? En geven de antwoorden op deze vragen meteen ook een antwoord op de vraag wat de rol van dichters en hun werk is? Is poëzie anno 2015 nog vergelijkbaar met het werk van dichters en de publicatie ervan in de jaren 1960-1980?

Een aantal vragen kan ik zelf niet beantwoorden, maar de selectiecriteria van de samensteller van Het Liegend Konijn lijken me al te gemakkelijk op te gaan in de waan van de dag. Enkele jaren geleden gaf hij ruimte aan een bekende prozaschrijver die bestaande saaie teksten of een catalogus had overgeschreven en er doodleuk zijn eigen naam aan toevoegde. Een ‘object trouvé’ of een ‘readymade’ kan mooi zijn, dat hebben o.a. K. Schipper, Armand en K. Pudding’ bewezen. Maar Marcel Duchamp, de bedenker van Fontaine (1917) – een porseleinen urinoir die tot beeldende kunst werd verheven – en de vermelde dichters tilden hun vondsten toch naar een hoger niveau dan de dichter die in Het Liegend Konijn een podium heeft gekregen. Het was precies dat tijdschrift dat Ruth Lasters bekroonde en afzonderlijke gedichten van haar publiceerde. Is poëzie nog bedoeld om gelezen te worden, of is ze bestemd voor de optredens van dichters die het land rondreizen en een publiek moeten inpakken? Lichtmeters werd voorgesteld in de Antwerpse boekhandel De Groene Waterman – en dat is volkomen legitiem – en enkele weken later zal de schrijfster te gast zijn in het Letterenhuis tijdens de ‘Donderdagen van de poëzie’. Is poëzie (dan toch) een consumptieartikel geworden? In 2014 schreef Ruth Lasters een jaar lang gedichten over de actualiteit voor het dagblad De Morgen. Wanneer een bundel met veel toeters en bellen wordt aangekondigd, kan men als recensent niet aan die verschijnselen voorbijgaan. Ze hebben in wezen niets met de poëzie zelf te maken, maar wel met de technieken en de voorwaarden die de weg naar de boekhandel of een podium effenen.

Op de meeste vragen heb ik uiteraard geen antwoord gevonden in de nieuwe bundel van Ruth Lasters, hoewel die bundel de vragen heeft opgeroepen. Ik neem nu haar werk zelf onder de loep, maar laat eerst nog de recensent van De Morgen aan het woord, en ik citeer ook uit het bericht over de Herman de Coninckprijs. Volgens het juryrapport, dat gedeeltelijk werd verwerkt in het dagblad De Standaard van 27 januari 2016, is Lichtmeters ‘een sterke, coherente bundel met schitterende zinnen, rake metaforen en vergelijkingen in een heldere taal’. Bij die ‘schitterende zinnen’ heb ik eerlijk gezegd wel bedenkingen.
Lasters gebruikt vrij veel bij- en tussenzinnen en daardoor zijn haar zinnen nu en dan tangconstructies. Iedereen weet dat tangconstructies het lezen bemoeilijken. Ik geef enkele voorbeelden. In het gedicht ‘Veld’ vormen de eerste en een deel tweede strofe één lange zin: ‘Misschien is voetbal écht het enige doel, / ook van het onderbewustzijn en het bewuste: twee delen // enkel en alleen omdat een match twee ploegen / vereist.’ (54) De beelden zijn verfrissend en uitdagend: ze zijn een korte typering van de mens als streber die heen en weer wordt geslingerd door twee stemmen die om de hegemonie streven. Maar de formulering is te omslachtig.
Het gedicht ‘Wissel’ wordt met een nog langere zin ingezet. Die zin wordt aan elkaar geschreven in drie strofen: ‘Loketzalen zijn zelden echt, van netvlies- / lichtresten veeleer // die zich ’s nachts uitrekken tot een ruimte / vol beambten die je dierbaren blijken of // je kwelgeesten, neutrale mensen werken er natuurlijk niet.’ (50) De inleiding van ‘Dons’ overtreft de al vermelde voorbeelden: ‘Of sneeuw ons echt kan overslaan (en wij elkaar): in warme winters dan geen afgevaardigde stuurt zoals // gepraat in de slaap: dwarreltaal, neuronendons, zo veel // misschien wel in een sneeuwloos jaar dat je alleen met // flarden die je ’s nachts opvangt van de ander / overdag zou kunnen spreken tegen // hem of haar.’ Een zin die inderdaad uit flarden bestaat en over vier strofen is uitgesmeerd.
Bovendien worden regelmatig woorden aan het eind van een versregel gesplitst, en ook dat is vermoeiend. De manier waarop de versregels worden geformuleerd komt het ritme niet ten goede. In het juryverslag wordt ook nog de volgende kwaliteit vermeld: ‘Waar veel dichters in hun poëzie toewerken naar een sterke zin in de laatste regel, durft Lasters haar beeldtaal van meet af in het gezicht van haar lezers te slingeren.’ En Lasters’ thematische aanpak wordt als volgt omschreven: ‘Daar laat ze het echter niet bij: veel van haar gedichten zijn scenario’s die een vraag uitwerken die velen zich regelmatig stellen, zonder haar daadwerkelijk te beantwoorden: “Wat als?” Het resultaat is bijzonder lenige poëzie die ons anders laat kijken naar wat we al meenden te kennen.’ Lenige poëzie? Hebben de juryleden ooit De lenige liefde (1969) van Herman de Coninck gelezen? Die bundel bevatte lenige gedichten! Een van de vermelde kwaliteiten heeft Ruth Lasters’ bundel wel: het is een coherente bundel die uit vier cycli bestaat (‘Wervels’, ‘Halfronden’, ‘Draadloos’, ‘Nachtkijker’) en gedichten bevat die meestal een gelijkaardige opbouw hebben. Veel gedichten bestaan uit een reeks disticha of een aantal terzinen waarvan het metrum niet aan de klassieke eisen voldoen, maar dat is vandaag ook geen vereiste meer. Lasters heeft ook het opzettelijke rijm als ballast over bood gegooid, en dat is in haar werk een terechte keuze. Vaak eindigen de gedichten met een afzonderlijke, kortere versregel die soms maar uit een of twee woorden bestaat.

In de boekenbijlage van De Morgen (20 januari 2016) vroeg Paul Demets zich af wie de Herman de Coninckprijs in de wacht zou slepen, en hij hield een warm pleidooi voor Lasters en Lichtmeters. Zijn slotsom luidde: ‘De poëzie van Ruth Lasters is indringend door de bijna opgewekte toon waarmee ze met verlies en vergankelijkheid omgaat, in meanderende gedachtespinsels.’ Die ‘meanderende gedachtespinsels’ is een positievere omschrijving van leestechnisch complexe versregels met bij- en tussenzinnen. Gedichten zijn geen handleiding, maar de literaire vervreemdingstechniek en het gebruik van ongrammaticaliteit zijn niet eindeloos toepasbaar. Demets legde er ook de nadruk op dat Ruth Lasters met de wereld is begaan. ‘Niet alleen het eigen ik, maar de mens tout court krijgt aandacht,’ schreef hij. Om zijn stelling waar te maken, verwees hij naar het gedicht ‘Allen’. Het is, zoals de recensent het stelde, een ironisch gedicht. Maar wie met ‘de mens tout court’ bezig is, doet dat niet op een ironische wijze. Zowel de dichteres als haar pleitbezorger vergist zich bovendien: niet het aantal mensen dat men ontmoet of zou kunnen ontmoeten is bepalend, maar de intensiteit van de ontmoeting. ‘Een [theoretische] seconde per // handdruk, oogopslag’ om de hele wereldbevolking te ontmoeten, het is inderdaad een lachertje. Misschien past die ‘spielerei’ wel bij dit tijdperk waarin zoveel mogelijk informatie per nanoseconde moet worden versluisd. Maar wat doet men ermee? Vaak wordt men onmiddellijk verzwolgen door een tsunami van andere voorbijgaande wetenswaardigheden. Ontmoetingen zijn vaak niet meer dan een optelsom van ‘likes’, en wie een grote schare ‘vrienden’ heeft, bereikt met moderne communicatiemiddelen een veelvoud van die vrienden. Laat ons bescheiden blijven, en ons richten op echte menselijke contacten.

Ruth Lasters is inderdaad begaan met de medemens en de wereld. Na het bescheiden afbreekwerk, wil ik meebouwen aan een positief beeld van Lasters’ werk. Het gedicht ‘Bloem’ is een zeer mooi voorbeeld van betrokkenheid, en ik mis meer gedichten van dat slag. Ook ‘Tij’ is een gedicht dat me aanspreekt en overtuigt. De dichteres formuleert op een andere manier haar belangstelling voor de klimaatproblematiek. In ‘Rijst’ verwoordt ze haar solidariteit. Ik ben ervan overtuigd dat Ruth Lasters de Andere met een hoofdletter schrijft, alleszins in haar niet genoteerde gedachtespinsels. In het gedicht ‘Glas’ lees ik een zacht pleidooi voor een duurzame omgang met onze omgeving. De eerste strofe bevat de essentie van Lasters’ boodschap: ‘Eis wandelrecht op het zand waaruit men je nieuwe ruiten / maakt. Het kijken door vensters is allicht anders als je op de ragfijne / witheid waaruit ze vervaardigd zijn eerst hebt gewankeld.’ (22) Het gedicht spoort de wandelende en wankelende mens – een aardige vondst – aan tot een minder roofzuchtige levenswandel. Dit gedicht roept bij mij herinneringen op aan de fabels van Jean de la Fontaine (1621-1695) en het gedachtegoed van Voltaire (1694-1778). In Lichtmeters neemt een verlichte schrijfster het woord.

Ter afronding citeer ik in extenso ‘Karper’, het gedicht dat mij het meest aanspreekt:

Dat niemand ooit de hele vorming van een ijsvlakte zag,
echt elke tel van hoe een vijver tot betreedbaarheid

stolt. Allicht is daar geen enkele totaalgetuige van, nu en
vroeger niet. Dat zekere raakpunt met

mensen uit eerdere tijden maakt hen plots nabij, alsof ze door
de troebele ijsspiegel naar mij kijken. Vooral in het midden

bij de vastgevroren karper in het wak als een tijdgat, waardoor zij
wel de troost lijken te seinen dat zij uitgerekend nu

met ongeveer evenveel ontbreken, aan de andere zijde zijn als wij
zenuwcellen hebben, als zit er in ons hoofd

van elk van wie hier is geweest
de felste sprankel.

Het is een sterk gedicht, en het stemt tot nadenken. In gelijkaardige gedichten is Ruth Lasters op haar best.