Recensie van Seizoensroddel - Jan Baeke

Louter poëtische werkelijkheid?

Jan Baeke
Seizoensroddel
Uitgever: De Bezige Bij
2015
ISBN 9789023497448
€ 19,50
85 blz.

De lezing van de bundel Seizoensroddel van Jan Baeke (1956) was een leesavontuur, dat ik meerdere keren beleefde alvorens enige letter op papier te durven zetten. De poëzie van Baeke drukte mij opnieuw op de vraag wat eigenlijk wel en geen gedicht is, wat wel en geen poëzie .

Soms lees ik ‘gedichten’ die mij irriteren: de lezer wordt overgeleverd aan één voortdurende stroom van persoonlijke emoties waarin een subjectieve ‘ik’ optreedt die klaarblijkelijk iets wil delen, terwijl er niets te delen valt: er blijft slechts een subjectief gevoel . Het wekt de indruk, dat de werkelijkheid die de (amateur)dichter(s)(essen) met de wereld delen een louter emotionele herkenbare werkelijkheid moet zijn. Soms ontvang ik van één van deze ‘amateur-dichters’ (maar wat zijn amateurdichters) drie ‘gedichten’ waaruit ik slechts begrijp dat ze verlangt naar de warmte van een man. Ze gebruikt daarvoor een subjectieve taal die kabbelt, de beeldspraken zijn slordig en niet uitgewerkt, er is geen abstrahering, een vorm is onherkenbaar, er zijn raadsels noch dubbele bodems: er staat wat er staat. Noch geliefde noch lezer worden in het ongewisse gelaten dan wel gespaard. Als het al poëzie is, is het momentaan: het emotionele nu dat direct refereert aan het emotionele nu van de schrijver. Ik vraag me af hoe iemand er in slaagt op poëtische wijze driemaal per dag een dichterlijk orgasme te beleven.

Voor mij is een gedicht een taalkundige microkosmos, waarin eigen wetten de taal vormen, een eigen logica ontwikkeld wordt, en de vorm aansluit bij de inhoud van wat gezegd wordt. De lezer kan op zoek kan gaan naar de betekenis, naar de werkelijkheid van de beeldspraken, naar de dubbele bodems. ‘Lees maar’, zei Nijhoff, ‘er staat niet wat er staat’. In het gedicht wordt een poëtische werkelijkheid gecreëerd die alleen in dat gedicht kan bestaan en ook iets kan hebben van een bezwering, een raadsel. Het bevestigt het bestaan van dingen en gevoelens die ervóór niet bestonden of slechts in een ander wat valer en dagelijks licht: het wordt schoonheid. Al die elementen in een compacte geabstraheerde vorm zetten ons aan het denken en roepen ontroering op . De lezer geniet daarbij de vrijheid om te lezen wat hij leest en te interpreteren wat hij interpreteert. In feite maakt de creatieve lezer het gedicht af, hij past het in in zijn eigen poëtische werkelijkheid.

De aan ‘Marrigje’ opgedragen bundel Seizoensroddel , interpretabel als ‘roddel over de maatschappij van nu’, voldoet aan alle criteria die poëzie opleveren. De poëzie is ook inspirerend: ik greep naar andere bundels om het gevoel, dat ik een virtuele slechts in het gedicht bestaande wereld binnentrad, bevestigd te krijgen. Bij Gust Gils (Onzachte landing) Hugues Pernath (Instrumentarium voor een winter) en Paul Snoek ( Schildersverdriet) vond ik een eigen poëtische wereld in het gedicht, maar die wereld is surrealistisch; de poëtische wereld van Jan Baeke verwijst naar duidelijk herkenbare realistische elementen uit de wereld van nu, waarover wordt geroddeld, wat de poëzie raadselachtiger maakt. Wie is wie in ‘Veteranenverzet’? Waar speelt het zich af? Irak? Afghanistan? Wie zijn Jack, Charlie en Fatzo? Hebben ze echt bestaan ? Waarom haalt de dichter hier soldatentaal in zijn poëzie? Waarom ontroert die ene regel in het gedicht Seizoensroddel op blz. 36 mij? Is het vanwege de uitgewerkte beeldspraak:

‘Januari is een maand die uitleg overbodig maakt.
Er is een kou die we allemaal delen, het weer
is een betrouwbaar brevier’.

Wie is die onbekende man in de Pauluskerk in het gedicht ‘Onverwacht’ (pag.42) , die sterft? ‘Ik heb niet eens gemerkt dat hij doodging’, zegt de dichter, ‘Ik heb hem verwarmd met de televisie en herinneringen./ ik ben daarna verstandig geworden’. En dan als conclusie van dit prachtige gedicht: ‘Ik ben zo ongelukkig./ Dat had ik totaal niet verwacht.’

Zijn de verwijzingen naar mannen en mannelijke torsen verwijzingen naar homofilie? Het kan, het kan ook niet. Waarom telt vader zijn spijkers? En is dit de vader van de dichter of staat hij ergens voor? Voor iets anders? Zoals ik schreef: het is een leesavontuur.

De bundel kent vier afdelingen plus een slotgedicht.

‘Dit zijn, zei Jack, slechts voorbeelden’
Na voorbeelden van ontmoetingen in een land dat oosters kan zijn: Vietnam, Afghanistan, het kan voor hetzelfde geld ook de Verenigde Staten zijn, wordt deze afdeling afgesloten met de regel ‘Dit zijn, zei Jack slechts voorbeelden’. Het wijst op een cyclus.

De tweede afdeling is ‘Afkomst’ : de dichter verwondert zich over zijn waarnemingen en gevoelens in de wereld waarin de ‘roddels’ zegevieren. ‘De meisjes zijn een vorm van leven/ waarin de plaats die er niet is/ toch zichtbaar kan worden gemaakt’. Het gaat over onbestemd verdriet over verwondering waarom bepaalde handelingen verricht worden, over dood en leven.

‘De bedoeling die we nodig hadden’ volgt. Het gedicht ‘Opgeschreven’ (pag.62) lijkt zelfs Bijbelse connotaties te hebben door woorden als : ‘geloof’, ‘het woord’ en het twee maal noemen van ‘het brood en de olijven’, terwijl er iemand langs komt die ‘Gabriel’ heet.. Een prachtig gedicht is ‘Drie jaar later was alles onherkenbaar veranderd’. In dit gedicht (pag.64) komen elementen uit de werkelijkheid voor die lijken te wijzen op autobiografische ervaringen met een ziekte: iets begint als ‘een onopvallend pluisje’, een ‘wratje’ terwijl verder op ‘de website’ iemand wordt ontmoet, die ‘dezelfde dood bestreed’, weer verderop gedefinieerd als ‘een ‘zwijgende bloeiende tumor’.

De laatste afdeling, ‘Waar de wind doorheen waait’ is een serie gedichten gesitueerd in een stad die ik als Brussel meen te herkennen, maar de woorden en zinnen gaan veel verder. Interessant is hier de vorm die aan het proza grenst, maar de inhoud is poëtisch.

In het gedicht waarmee de bundel afsluit, vraagt de dichter zich af ‘….Hoeveel ruimte onze gedachten innemen/ het is goed’ , zegt hij ‘ons een kleine doos voor ogen te houden’, maar na een inhoudelijke omzwerving waar wederom Jack ten tonele verschijnt, evenals het denken aan de bruid wordt de doos verkleind tot ‘een plastic tasje/als dat makkelijker mee te nemen is’.

Het is een mooie bundel van gevoelige ‘echte’ poëzie. Zeker aan te raden voor al diegenen die vinden dat poëzie ook een intellectueel-emotionele uitdaging is om zonder de Tom-Tom van de snelste weg de mooiste weg te vinden in de poëtische wereld die alleen in deze poëzie vorm krijgt.

***

Jan Baeke (1956) is dichter en vertaler. Hij werkt voor Poetry International. Hij publiceerde zes dichtbundels: Nooit zonder paarden (1997), Zo is de zee (2001, Iedereen is er (2004). Groter dan de feiten ( 2007) werd genomineerd voor de VSB-poëzieprijs. Voorts in 2010 Brommerdagen en in 2013 Het tankstation op de route. Seizoensroddel werd mede mogelijk gemaakt door een projectsubsidie van het Nederlandse Letterenfonds.