Interview met Paul Roelofsen

Soms zitten er cadeautjes bij

 

Paul Roelofsen (Harlingen, 1940) schreef aanvankelijk korte verhalen, die werden gepubliceerd in onder andere Avenue Literair en Het Nieuwe Vlaams Tijdschrift. Als reizend correspondent van het dagblad Trouw berichtte hij in de zeventiger jaren over de derde wereld, artikelen die later werden gebundeld tot Voorbij de Verte . Vanaf 2002 begon hij met het schrijven van gedichten, die onder meer werden afgedrukt in Meander, Nynade en Trouw.
Zijn inspiratie put hij voornamelijk uit nachtelijke wandelingen door zijn woonplaats Koedijk, waarbij hij dan meteen even kijkt of iedereen wel slaapt.
Hij maakte twee bundels, in 2010 De dame en de vrouw (De witte uitgeverij) en recentelijk Een roos in december (uitgeverij Kontrast).

Als ik aankom zit dichter Paul Roelofsen genoeglijk in een hoekje van de bank te lezen. Hij komt overeind zodra mijn fiets onder zijn raam geschoven wordt. Onder de snelbinder zit een half uit elkaar gevallen winterroos uit mijn tuin. ‘Het is weliswaar januari nu, maar hier is je roos uit december’ begroet ik hem, refererend aan de titel van zijn tweede, onlangs verschenen bundel.
‘Ik vind het moeilijk je te interviewen, omdat ik je ken’ zeg ik even later aan de keukentafel met uitzicht op kale takken waarachter de lucht rood kleurt. ‘Nou ja, ken’ relativeert hij peinzend naar buiten kijkend, we zijn nooit met elkaar op reis geweest. Je leert iemand pas kennen als je met hem gereisd hebt, niet door taal. Taal kan bedrieglijk zijn, voor misverstanden zorgen.’ ‘Is dat de dubbelhartigheid waar je in een eerder Meanderinterview over sprak?’ ‘Ja, ik denk het wel. Taal is lastig.’

Ik heb deze dichter nooit in verband gebracht met andere avonturen dan het schrijven. Sport, reizen, daar had ik niet aan gedacht. Wat ik zie is een man die openstaat voor anderen, die een enorme betrokkenheid toont met de wereld en de mens, die handig is met taal.
Hij grinnikt. ‘Als sportleraar lag ik vooral dwars, ik had alternatieve opvattingen over de lichamelijke opvoeding die ik ook in artikelen uiteenzette. Sport is doorgaans zo competitief, gaat over ranglijsten en regels terwijl ik dat vak alleen koos omdat ik zo lijfelijk ingesteld ben, ik had en heb wat winnen betreft weinig ambitie. Het spelplezier, daar gaat het om. Toen ik aan judo deed bijvoorbeeld, genoot ik meer van de schijnbewegingen dan van het werpen. Lichaamstaal zegt meer dan woorden.
En wat mijn reislust betreft, de verhalen die ik schreef ontstonden bijna allemaal tijdens het reizen. En ook daarin week ik af van het standaard reisverhaal. Ik leverde veel kritiek op wat ik tegenkwam, hetgeen me niet altijd in dank werd afgenomen, al worden sommige artikelen uit mijn tijd bij dagblad Trouw nog steeds geraadpleegd. Maar je zou kunnen zeggen dat jouw kijk op mij klopt, dat je me een beetje kent. Mijn handigheid met taal is met de jaren gekomen, grammaticaal ben ik altijd sterk geweest, dat in jammerlijke tegenstelling tot de huidige generatie. Bovendien heb ik in mijn judotijd geleerd hoe belangrijk discipline is, ik heb een vrij vast dagelijks patroon waarin het schrijven een plaats heeft.’
Behendig klautert hij naar boven, komt terug met boodschappentasjes vol krantenartikelen en spreidt alles uit over de keukentafel. Die beweging herhaalt zich een aantal malen omdat hem steeds weer iets te binnen schiet. ‘Ik moet dit nog eens beter ordenen’, zegt hij grijnzend. ‘Weet je, het kwam allemaal op mijn pad. Toen ik in Amsterdam woonde, was mijn buurman Hans Faverey en mijn zwager August Willemsen. Zij stimuleerden mij enorm.’ Hij schiet in de lach. ‘Zij baalden wel behoorlijk toen ik als eerste publiceerde. Die vriendschap met August Willemsen vooral ging diep en is terug te lezen in zijn Braziliaanse brieven. Zo kom ik eigenlijk altijd de juiste mensen tegen en word gevraagd voor van alles.’
‘Maar dat komt natuurlijk ook omdat je open staat en belangstelling toont’ zeg ik. Hij herinnert zich opeens ook nog voor een spiritueel tijdschrift te hebben geschreven waarvoor hij onder andere interviews deed met zeezeilers. De titel schiet hem even niet te binnen. 

Ik vraag of Paul beperkt wordt door het leven in een dorp (Koedijk) of door het ouder worden. ‘Het dorp niet maar er komen wat fysieke beperkingen waardoor ik minder risico’s neem. Maar mijn fantasie is ongebreideld, altijd al geweest.’
De straatkat uit Mexico duikt met haar kop in mijn tas, Paul waarschuwt voor onverwachte bewegingen en uithalen. Intussen is ons gesprek beland bij de zin van het leven en derhalve ook van de poëzie.
‘Het leven moet geleefd worden’ antwoordt hij meteen. ‘Poëzie is een verhevigde vorm van leven, te vergelijken met verliefdheid. Ik gebruik het schrijven ook niet als afrekening; in die zin heb ik geen last van mijn christelijke jeugd. Ik heb het schrijven niet nodig als therapie. Gedichten hoeven van mij niet te ontregelen of iets anders ingewikkelds te doen, ze mogen raken, graag zelfs, en natuurlijk schuilt er betekenis in maar voor mij is dichten toch vooral het plezier in het spelen met taal.’
Als ik opmerk dat zijn werk toch niet alleen maar relativerend of grappig is, dat ik soms ook een verdrietige of opgeluchte stemming lees, is hij het daar wel mee eens. ‘Ja, dat klopt wel, meer mensen zien dat. Ik zal heus wel een en ander verdrongen hebben en daarvan sijpelt kennelijk iets in de regels door.’
Hij vertelt wat anekdotes uit het gezin van vroeger, de rokkenjagende dominee die als vader uit zijn jeugd verdween, het verdriet van zijn moeder, zijn zusjes, het dorp in Friesland, maar ‘die hoeven niet in dit interview. Ik richt me niet op mijn eigen jeugd, ik ben bezig met die van mijn kleinkinderen.’

Paul schrijft vaak over alledaagse dingen, maakt het zware lichter, het kleine groter. Hij zegt niet of nauwelijks aan de lezer te denken. ‘Ik schep genoegen in het ambacht van schrappen en weglaten. Mijn gedichten zijn nogal verschillend van vorm en inhoud, maar voor velen herkenbaar door het praktisch ontbreken van ruis.’
Hij is actief in de Dichterskring in Alkmaar, treedt vaak en met verve op, eindigde een keer hoog in de Turing….’Ja, dat is leuk, natuurlijk, dat weet je toch? Natuurlijk wil ik graag reacties, en erkenning vind ik geen vies woord.
Ik ben bijna voortdurend bezig met taal, lees mijn eigen gedichten voor mezelf ook hardop voor. Ik vertaal nog incidenteel en probeer dan eenzelfde ritme te vinden, niet door te tellen maar op adem en gevoel. Het plezier als een vers klopt en loopt!’
Hij straalt, maar dat heeft hij eigenlijk de hele middag al gedaan, ons beider wangen zijn rood en onze woorden buitelen over elkaar heen. ‘Soms’ zegt hij ‘zitten er cadeautjes bij, dan is een gedicht in één keer goed, een verrassing, ook voor mezelf.’