Recensie van Hoe het komt - Hans Tentije

Een prachtig oeuvre in namiddagkleuren

Hans Tentije
Hoe het komt
Uitgever: De Harmonie
2015
ISBN 9789076174693
€ 24,50
447 blz.

Als poëzieconsument, -producent en -criticus ben ik altijd op zoek naar schoonheid. Naar schoonheid van het creatieve woord, naar een mooie vorm, al kan een perfect gevormd gedicht zonder enige emotionaliteit dodelijk saai zijn. Naar een mooie stemming, al kunnen gedichten die uit een stroom persoonlijke emotie bestaan zonder dat er enige vorm te herkennen is, irritaties oproepen alsmede de vraag wat ik er als lezer mee te maken heb. In mijn leesavonturen ben ik altijd op zoek naar dat ene woord, die ene regel, die alle andere regels overstijgt, maar vooral naar dat mysterieuze ondefinieerbare gevoel, dat van een gedicht grote poëzie maakt en ontroert. De verzamelbundel Hoe het komt van Hans Tentije voldoet volledig aan het gevoel geconfronteerd te worden met grote en belangrijke poëzie. De melancholieke kleur en de prachtige taal maakte mij soms warm achter de ogen.

In Hoe het komt zijn alle bundels, verschenen tussen 1994 en 2010, bijeengebracht: een deel van het verzameld werk waarin een dichterscarrière van veertig jaar zichtbaar wordt. Het is niet alleen een prachtig, maar ook een belangrijk boek. Het biedt namelijk de mogelijkheid de constante thematieke kwaliteit van Tentije te ervaren: de weemoed, het verlangen en steeds opnieuw te zien hoe hij observeert, kijkt, beschrijft , vertelt en voelt . Zijn taalgebruik voegt al die elementen samen in gedichten in prachtige en sfeervolle kleuren, die mij aan een warme namiddag doen denken: er is licht en zon en regen, en een heimwee naar een mediterrane omgeving.

Ik vind Tentije op zijn best als hij ergens in een stad rondloopt. In de bundel Wat het licht doet, observeert hij kathedraal en een recevresse in het Noord-Franse verpauperde Avioth: luisterrijk maar verwaarloosd verleden: ‘Binnen hangt een geur van kelderschimmel / en dorre hersenspinsels, de kilte van een lichtjaren ver van ons / verwijderde God, opgeslorpt als Hij misschien al is /door het zwarte gat in zijn zelfgeschapen heelal en alle / sterrenstelsels met zich meesleurde’. Hij schrijft over Praag (en hoe, hij wandelt er ook nog met de eenarmige fotograaf Josef Sudek doorheen), over Berlijn en München, maar ook over zijn geboortestreek: Beverwijk, Wijk aan zee, IJmuiden. Het verdwijnen van de natuur voor de uitbreiding van de Hoogovens, waarvoor veel ongerept landschap moest sneuvelen, laat hem niet koud: ‘voor weer een nieuwe koud- / of warmbandwalserijen- in mijn slaap valt het klaphek dat er stond / af en toe hard achter mij dicht.’ (‘Beekzang’, pag. 423)

Als hij een portret schetst van een nazi-jongen, die, geïndoctrineerd, tot de SS toetreedt en ‘bordeelhouder’ wordt, is het een sterk sociaal bewogen Tentije die ook nog de gelegenheid te baat neemt – hij heeft de jongen immers zelf geschapen, zegt hij – een ontmoeting met een Joods gezin weer te geven. Het is een lang, ingrijpend gedicht.

Hij moet ongelooflijk veel van het zuiden en vooral van Italië houden. Zelf woonachtig in de buurt van Perugia ken ik de stad door en door, maar tijdens de wandeling door Perugia die ik, al lezend, maak met Tentije , zijn gevoelens en ogen delend, werd de stad opnieuw gecreëerd: ‘Elk terras naar omhoog heeft zijn hof / van olijven, van gepijnigde, hoefgespleten /en deerlijk verminkte, gebochelde, maar onverwoestbare stammen… ‘. (pag.157). Hij toont in dit gedicht wederom zijn sterke bewogenheid met mensen als hij de hoeren beschrijft die hij ‘wilde orchideeën’ noemt als zij zich in de berm verzamelen bij hun stacaravans: ‘vluchtige, mossige geuren, het weemoedig / bloesemen van de acacia’s, aroma’s / van een nooit te leven leven’, waarachter na een regel wit een losse regel iets oneindigs weemoedigs suggereert, wat tot het geheim behoort van Tentije: ver draagt de roep van de hop-‘. Ik heb me af zitten vragen waarom die regel de weemoed van het gedicht zo versterkt. Het is het geheim van de woordensmid. Gedichten over Orvieto, Chiusi, Val d’Arno, Rome, Ferrara en de volstrekt vervallen fascistisch aandoende Terme di Manzano – zou Tentije op de hoogte zijn van de politieke verwikkelingen in Cortona rondom dit verval? – geven steeds opnieuw een meekijk- / meeleefervaring. Er is altijd verlangen. Er is altijd verval. Er was liefde. En er zijn passende kleuren, bijna pasteltinten, soms aquarelachtig, soms is het het licht van de namiddag dat over zijn hoogtepunt heen is dat de taal kleurt. Ook de laatste gedichten uit zijn laatste bundel ‘Als het ware’, de ‘Venetiaanse passages’, behoren tot de mooiste gedichten uit het boek.

Ik realiseer me dat het gevaar bestaat te veel te citeren, terwijl het juist bij een dichter als Tentije om het hele gedicht gaat, zelfs om het hele oeuvre, dat een grote consistentie vertoont. Dit boek biedt de mogelijkheid de samenhang in dit oeuvre te zien, waar te nemen met de dichter, te reizen naar Antwerpen, waar de dichter wat mee heeft. Of te blijven in de buurt van Wijk aan Zee, en met hem heimwee en verlangen te ervaren. En dat alles in een taal die zo vol kleur is, zo lenig, dat je er alleen maar of ontroerd of jaloers om kan worden. Ik zou voor poëzieproducenten en poëzieliefhebbers deze bundel als verplichte kost beschouwen.

Hoewel de gedichten over de metamorfosen van Ovidius mij wat minder aanspreken, – maar dat is toch een zeer persoonlijk gevoel – vind ik de rest van de poëzie zeer consistent. Een klein puntje van kritiek: de bundel In de tussentijd bestaat uit gedichten bij foto’s van Peter Bes. Die foto’s zijn niet gereproduceerd. De gedichten op zich zijn melancholiek en mooi, en autonome kunstwerkjes, maar ik mis hier de foto’s. Juist de samenhang tussen woord en beeld zou deze gedichten, die op zichzelf sterk genoeg zijn, misschien een extra dimensie geven. Ik kan dat nu niet beoordelen.

Maar het is genieten, het is ontroerd worden, het is een ontmoeting met een groot dichter en dat maakt deze uitgave tot iets heel bijzonders. Bedankt voor het mooie boek.

***

Hans Tentije (pseudoniem van Johann Krämer) werd in 1944 geboren in Beverwijk. Als docent Nederlands voelde hij het verlangen te schrijven en vooral om dichter te worden. Zijn eerste gedichten ontstonden in de jaren zestig van de vorige eeuw en zijn sterk politiek gekleurd. Deze stijl ging over in cynisme toen de vernieuwing uit leek te blijven en overging tot gevoel, melancholie en verlangen. Vooral zijn vele reizen en bijna emotionele banden met steden (Antwerpen, Berlijn) inspireerden hem. Hij won de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs, de Herman Gorterprijs, de Guido Gezelleprijs en de Karel van de Woestijneprijs.