Recensie van Wie hier binnentreedt - Hedwig Selles

Het ontbreken van een kattenluikje

Hedwig Selles
Wie hier binnentreedt
Uitgever: Vrijdag
2015
ISBN 9789460013744
€ 18,50
44 blz.

Ik neem de bundel in handen en bekijk het voorplat. Blauwzwarte achtergrond, een zwak beschenen bakstenen muur in het midden met daarin omlijst door witte posten een deur. Potdicht. Hoe naar binnen te komen? Zelfs het kattenluikje, de doorgang die de Hedwig Selles in een interview adviseert, ontbreekt.
Ik denk aan Dante en Gerard Reve: ‘Laat varen alle hoop, gij die hier binnentreedt’.
Wat staat de lezer te wachten? Hermetische poëzie, cryptogrammen?

De achterkant van de omslag, doorgaans de bewieroking van de inhoud, stelt maar ten dele gerust: ‘Deze poëzie bevoelt het lichaam, graaft door de huid en vertoeft lang tussen de ingewanden, om dan, in galop door te stoten naar een weids, zonbeschenen landschap’, schrijft Annelies Verbeeke . Bloemrijk, maar ook verdacht.

De colofon is summier, de inhoudsopgave kondigt het eerste gedicht aan op pagina 1, in werkelijkheid staat het op pagina 4 en die scheefloop wordt volgehouden tot het eind. Slordig.

Maar dan. Ik begin aan het titelgedicht, haal opgelucht adem, en na nog enkele daaropvolgende gedichten te hebben gelezen is mijn twijfel totaal verdwenen , geef ik me over, op het euforische af: sprankelende fantasie, prachtige beelden, en hoe subtiel de humor.
Oordeel zelf.

WIE HIER BINNENTREEDT DOET EERST EEN WENS

Het is stil op de bodem van het meer
een flinterdunne slaap, ik draai
mijn gezicht naar de muur
je wilt toch iets in de buurt hebben
naast roodwier en troosteloze poëzie
maar ik zie mogelijkheden

voor vissen met luie onderlippen
sereen samengaan de diepe
duisternis in ook al is
een afscheid op den duur niet te vermijden

gezien mijn verlangen naar schoonheid ijdel
en onuitwisbaar is.

Eenmaal binnen in de surreële wereld van Hedwig Selles blijf ik nog even in die goede stemming, hoewel de redacteur mijns inziens de dichter had kunnen waarschuwen voor overbodig gebruik van adjectieven. (‘het waren sprakeloze zielen, vriendelijke snaren / met een felle dorst / die ook de lente heidens overviel’. En ‘het gesprek gleed van me af als een wollen deken door de lichte wind’).
Hierna worden de gedichten ernstiger van toon en verflauwt de brille van het begin. Enkele ervan ontberen spanning en de meeste missen de poëtische kracht van het eerste deel. Wel intrigerende titels: ‘Deugdzaamheid/korte poten’, ‘Weerbericht voor sidderende hazen’, ‘Eccomi’, ‘Op last van zelfverbetering’.

Achter in de bundel staan de meest indringende verzen, die weliswaar niet vrolijk stemmen, maar nergens larmoyant zijn, en die zo nu en dan weer de lichte toets van de openingsgedichten bevatten.

BONKERS EN KATTENOGEN

Wij zijn twee knikkers
wij kunnen niet dichter in elkaar
dan tegen elkaar aan

wat tegendruk niet uitsluit
maar langs een lus van licht
de gladste vonken wegschiet naar een nis

dit ging over ons bonkers en kattenogen

jij sprong om jezelf vorm te geven
ik waagde alles behalve mezelf blind
tegen je aan te stoten.

als dit het niet is wat dan wel?

Zo moeilijk het binnentreden, zo moeilijk is het om de (onder)wereld van Hedwig Selles weer te verlaten.
Ik raad haar aan in een volgende druk de deur op het voorplat minstens op een kier te zetten maar wijd open zal ook zeker niet misstaan.