Recensie van ik wil in mijn huis een raam ik wil het raam dichtdoen - Kreek Daey Ouwens

Binnenste buiten

Kreek Daey Ouwens
ik wil in mijn huis een raam ik wil het raam dichtdoen
Uitgever: Wereldbibliotheek
2016
ISBN 9789028426511
€ 19,99
64 blz.

Van buiten naar binnen

Ik pak de bundel uit.
Stevig verpakt in bruin papier en dito tape.
De redactie heeft zijn best gedaan, het kleinood moest goed beschermd.
Ik vraag me af of de weerbarstige verpakking ook wat zegt over haar inhoud. De bron voor wat mijn ‘maidenrecensie’ wordt voor Meander. Vers van de pers.

Wat verschijnt is een gedichtenboek van reguliere dikte, in een mooie zeegroene kleur. De voorkeurskleur van mijn eega, de kleur van oude schuren soms hier op het land.
Dus dat zit goed.
De opmaak oogt eenvoud. In het groen een zwart vlak en daarin impressies van wit geschreven letters. Of een soort gefotografeerde sliertjes zijn het. Lees ik het woord Ecco… En? Oogt als een Spartaans schoolschrift uit de jaren vijftig. Hebben schrijver en uitgever De Wereld bibliotheek dit zo bewust gedaan vraag ik me af. Moet toch bijna wel, want het zal zo niet erg opvallen op de toch al vaak wat verborgen poëzieplanken van de boekhandelaar.

En in het groen op de omslag veel tekst. De prachtige naam van de dichter die bijna al een titel is: Kreek Daey Ouwens.
En dan de echte titel door de naam van de dichter heen geplaatst; al was die ermee vervlochten: ‘Ik wil in mijn huis een raam. Ik wil het raam dicht doen’.
Ondertitel: ‘Een gedicht’.

Het is een stellige of misschien wel eisende toon die er uit spreekt. De uitspreker leeft nu blijkbaar in een raamloos huis en wil dat wijzigen en tegelijk zelf die toestand dan ook zelf weer naar zijn of haar hand kunnen zetten.
Je zou zeggen dat je een raam wil om doorheen te kijken of open te zetten. Niet om meteen weer dicht te doen. Wil de dichter alleen de grip? Gaat het niet om het raam? Verwacht de dichter iets van mij hierbij?

Op de achterkant een korte tekst over ‘een groot huis’ en ‘een klein’ als ‘de doos waarin je je kunt verstoppen, waarin je je kunt afsluiten voor alle prikkels van buiten, de geluiden, het licht, de werkelijkheid’.
Wil de dichter nu een raam in dát huis? Of juist in het grote? Of staan ze los van elkaar?
De flaptekst lijkt geschreven vanuit perspectief van een kind. Zelf moet ik denken aan het huthuis dat ik vroeger onder tafel maakte. Met aan elke kant een muur van tafellaken. Ook geen raam daarin.
Ga ik er in de bundel over lezen? Is de bundel zelf misschien een (schrijvers-)huis van waaruit hij of zij de wereld buitensluit?

Van binnen naar buiten

Als ik de bundel uit heb blijkt het kleine huis een doos waarin de dichter zich als meisje vindt. Met dichtgevouwen deksel zonder licht. Haar sleetse beer als metgezel.
De wereld daarbuiten bestaat uit een afwezige vader, dode grootvader, redderende moeder en een mythische grootmoeder, toverfee en heks tegelijk. Of grootmoeder en tegelijk ook wolf. Ze drinkt thee van zevenblad, hakt bevroren hazen uit het land en eet het wit uit brood.

Het meisje registreert. Maar haar impressies komen door als dromen. Flarden werkelijkheid waarvan de waarheid twijfelachtig is. Door haar ogen en oren hoor en zie je vooral vragen, twijfels en geheimen. Vaker bedreigend, soms geruststellend.
Het meisje leert van haar grootmoeder haar eerste woorden schrijven. Is het woord misschien de bezwering van de dreiging? Het lijkt er niet echt op.
Het meisje gaat soms haar huisje uit. Maar steeds blijkt de wereld opnieuw koud, vreemd, dood of gevaarlijk. Soms even niet. Maar dan toch weer wel. Ze krijgt er geen greep op.

Grootmoeder zegt: ‘Ik wil je iets laten zien’. We gaan naar buiten. We gaan naar het veld. Het is al avond, de lucht is nog licht, maar als je omlaag kijkt naar het gras weet je dat het daar al donker is.
Grootmoeder blijft staan.
‘Luister’, zegt ze.
Ik luister. Ik hoor niets. Even, heel in de verte, het geluid van een uil.
Dan stil.
We lopen terug.
Ik heb het gevoel ergens langs te zijn geschuurd, langs een geheim dat ik niet kon pakken.
‘Ik hoorde niks’, zeg ik. ‘Helemaal niks’.
‘Precies!’, zegt grootmoeder.

Dan trekt het meisje zich terug in haar doos. Met haar beer. En de kraaien, de stilte en de vleermuizen met de schuwe ogen. Waar zij het voor het zeggen heeft en soms een raam op de wand tekent. ‘Soms maak ik het raam zwart, dan betrekt de lucht en begint het te regenen’.

Van binnen en buiten

Kreek Daey Ouwens heeft met haar zesde bundel een eigenzinnige kinderwereld geschapen. De binnenwereld van een driejarig meisje dat met impressies en dromen – waar begint het een en houdt het ander op – aan de haal gaat en de werkelijkheid betovert. Ik heb ineens de associatie met ‘Oskarchen’ het jongentje uit Die Blechtrommel van Gunter Grass, dat op zijn derde besluit niet meer te groeien.

In het begin van de bundel had ik soms nog het gevoel dat er nog teveel volwassen reflectie in de ‘ik-zinnen’ van het meisje zat. Onmogelijk ook bijna om werkelijk de gedachten van een driejarige in te kunnen voelen en te vertolken. Maar al gauw verdween dat gevoel en trok Kreek Daey Ouwens mij mee in haar vervreemdende meisjesbestaan.

De taal is als in een kinderboek. Met korte zinnen. Eenvoudig.
Des te sterker is dat Daey Ouwens me in een paar regels in haar doos trekt, haar bed, haar hoofd, haar binnenwereld. Waar haar gedachten in zichzelf rondkaatsen en vervormen naar fantasieën, dromen en nachtmerries.
Mooi is het herhalende van beelden, motieven, woorden in haar bundel. De kraaien, het zevenblad, de tandenfee, de stilte. Met elke terugkeer diepen ze uit. Door de beperking ervan wint de tekst aan kracht.

De bundel is geen toonbeeld van geluk. Het ik-meisje lijdt. Ze is vaak angstig. Probeert te vluchten maar komt in haar dromen dan niet weg. Het verhaal is gevuld met verlies. Van vader, grootvader en ook van de bijna dode grootmoeder. En aan het einde van de bundel ook van de tóch vertrouwde kinderomgeving waar het meisje opgroeide. ‘Er komt niemand binnen en je kunt niet naar buiten’.

Ik vraag me af wat Kreek Daey Ouwens met deze bundel beoogt. Heeft ze geprobeerd zich terug te schrijven tot haar eerste herinneringen om zichzelf alsnog een raam in haar doos te snijden? Zit ze nu nog altijd in haar binnenhuis en zoekt ze een raam om af te sluiten?
Of heeft ze de uitweg nog niet gevonden?
Als je haar laatste regels van haar bundel leest zou je het denken: ‘Eigenlijk denk ik dat je pas kunt schrijven als je helemaal niets weet.’
Dat belooft nog wat voor haar volgende werk.

Maar of ik deze bundel nu ‘een gedicht’ zou noemen? Voor mij is het een sprookjesnovelle met bewust gebruik van bladwit en opmaak. Dat dan wel. Maar poëzie vraagt voor mij om een vollediger benutting van dat bijzondere taaldomein dan Daey Ouwens in dit boekwerk laat zien.
De vrijheid van de poëzie vergt verantwoordelijkheid voor haar rijkdom.
Laten we haar taalgebruik in deze bundel op ‘bijzonder proza’ houden. Voor mij speciaal genoeg.

En die omslag is natuurlijk de binnenkant van de doos. Schrijver en uitgever kozen bewust voor een weerbarstige verpakking.
Sterk!

***

Van Kreek Daey Ouwens verscheen in 2014 de bundel Blauwe hemel. Eerder verschenen Stokkevingers (1991), Tegen de kippen en de haan (1995), Kinderbed (2004) en De achterkant (2009), dat genomineerd werd voor de VSB Poëzieprijs 2009-2010.