Recensie van Het riool - Arnoud van Adrichem en Jan Lauwereyns

Een rat om te aaien

Arnoud van Adrichem en Jan Lauwereyns
Het riool
Uitgever: IJzer
2016
ISBN 9789086841271
€ 14,50
96 blz.

Twee in één bundel, tel uit je winst!
Toch niet.
De twee zijn namelijk versmolten tot één dichter, je zou hem Jarnoud Laudreyns kunnen noemen als de tweekoppige niet voor de afzonderlijke namen had gekozen. Een gelukkige symbiose, laat ik dat vooropstellen en de werkwijze van de twee in dit samenspel maakt nieuwsgierig; voer voor interviewers!

De Vlaming Jan Lauwereyns, hoogleraar neurowetenschappen in Tokio, kende ik van zijn debuutbundel ‘Nagelaten sonnetten’, waarmee hij in 1999 werd genomineerd voor de C. Buddingh’- prijs. Anders dan anders, geen sonnetten in ieder geval, wel intrigerend, maar ook koel en te klinisch om me in te verliezen, wat me in deze bundel wel gebeurde.

Arnoud van Adrichem werd eveneens genomineerd voor de C. Buddingh’- prijs voor zijn debuutbundel ‘Vis’ in 2008.
De bundel werd een jaar later bekroond met de Hugues C. Pernath-prijs.
Als duo met Jan Lauwereyns bundelde hij in 2010 essays, gedichten en vertalingen in ‘Stemvork’.
Het gaat om slechts negen gedichten, die er qua lengte echter mogen zijn; de bundel telt zesennegentig pagina’s. Zij bestaan alle uit strofen van ten hoogste drie regels waaronder meerdere eenregelige met een vraagteken. Vooral die vraagtekens zuigen de lezer het gedicht in:
‘Wat?’ met het antwoord ’Dat!’; ‘Spreken wij te vlug?’; ‘Denken wij te snel’; ‘Volgen wij’; ‘Dus?’; ‘Beken je je?’.
Men hoopt een antwoord te krijgen en leest dus door ook al blijft het antwoord achterwege.
Wat ook bijzonder aan de vorm is, is dat strofen aan het begin van een gedicht later iets gewijzigd terugkomen, wat de samenhang van het gedicht ten goede komt: ‘Inderdaad, / zeker de vierde of vijfde / keer,’ en enkele pagina’s later ‘Inderdaad, / zeker de vijfde of zesde/keer,’.
En niet alleen in de gedichten afzonderlijk komen deze echo’s veelvuldig voor, ook in de bundel als geheel treft men deze stijlbloem aan. Zo vormt zich een organische eenheid.

Wat de inhoud betreft, het achterplat vermeldt dat de literaire samenzang van de dichters afdaalt tot in de donkerste krochten en holen van onze wereld. Dat is zonder meer waar, de titel is juist gekozen. Maar vooral het riool boven de grond is alarmerend: ‘Nog even, / meneer, mevrouw, / voor uw orgasme / nahijgt in het binnenoor / van onze privédetectives.’ en ‘Zijn traject zal barsten, / alle toekomsten verloren, liefdevolle leegte, / schielijk worden beloftes ingetrokken. / Aanraken is ophoesten. / Wie smaakt, blijft steken.’ (Uit het gedicht ‘Overzeese stad’). En in ‘Maren van de beul’ wordt het nog onheilspellender en wranger:

[…]

Soms gaat het beter
met een bot
instrumentarium.

[…]

IJzer weifelt niet,
vlees nodigt uit tot snijden.

Dat weet de beul.

[…]

Het lemmet is minder
dan een zweetdruppel

verwijderd van de keel.

Vertraagt zand
het denken?

[…]

Na de eerste drie gedichten gaan we daadwerkelijk onder de grond om kennis te maken met ‘Rat’ in zijn rioolbuizen en spelonken waar de toon wezenlijk anders is dan ervoor; levenslustig,vrolijk bijna.

Rat

Hier, daar, het is donker,
vochtig, Rat wil iets

belangrijks zeggen, hij heet
het succesvolste zoogdier

ter wereld, ter wereld.

De echo maakt hem groter,
groter nog dan zijn schaduw,

die verkennend vóór hem
een roestbruine buis oploopt.

[…]

Voor het slapen gaan
vertelt hij verhaaltjes
aan de vlooien in zijn vacht.

[…]

Altijd lachen met Rat

Het doet sterk denken aan een kort verhaal van Julio Cortázar uit ‘De Mierenmoordenaar’ over een beer die door de waterleidingen en de pijpen van een huis scharrelt, deze zindelijk houdt, een poot door de kraanopening steekt, waarvan de dochter des huizes gaat gillen, en als zij zich wast ongemerkt haar wangen streelt. De beer heeft bij uitstek een hoog aaibaarheidsgehalte, met de rat ligt dat anders. maar het is Lauwereyns en Van Adrichem gelukt ook dit dier aandoenlijk te maken, ondanks ‘zijn kale vette staartje / in verse pis, in de drek / en drab, de stank.’

Merk dat ik behoorlijk lovend aan het recenseren ben, maar enkele kritische noten moeten ook gekraakt. Ten eerste hadden de gedichten korter gekund; elk gedicht bevat wel een paar overbodige strofen, en in de verzen die op ‘Rat’ volgen, dringt zich de invloed van Hans Faverey wel erg op.

Niettemin een boeiende bundel, die men beter niet in de trein kan lezen; de kans dat men zijn bestemming dan voorbijrijdt is niet denkbeeldig. (Het gebeurde mij).

Tot slot: veertien en een halve euro voor dit werk is te weinig.