Interview met Jonathan Griffioen

‘Ja, ik voeg iets toe’

 

Op de dag dat Brussel werd getroffen door twee aanslagen had Alja Spaan een afspraak voor een interview met Jonathan Griffioen. Die had toen net vernomen dat hij is genomineerd voor de C. Buddinghprijs voor zijn bundel Wijk.

Het is zoeken naar woorden eerst. De aanslagen in Brussel maken ons stil en de grapjes die ik verzonnen had — waarom zat hij gisteravond niet bij Pauw een paar meter hier verderop? –laat ik achterwege.
Hij heeft sowieso al genoeg aandacht gekregen, zegt Jonathan bescheiden, en vandaag kwam daar de nominatie voor de C. Buddinghprijs bij voor het beste debuut van 2015. De media vertrouwt hij niet ten volle: ze vragen hem het hemd van het lijf en leggen alles autobiografisch uit. Ze menen dat het echt zijn moeder was, daar op het balkon,
Zijn kritische instelling hangt samen met zijn gevoeligheid: het schrijven is geen filter voor alles wat binnenkomt maar verwerking. Hij legt het als volgt uit: ‘Als je een gebeurtenis gaat opschrijven, is het niet meer die gebeurtenis’. ‘Maar het is wel echt gebeurd’, zeg ik en hij knikt. ‘Stel dat je de ontwikkeling van een dichter kunt opdelen in een drietal fases. Je hebt als eerste dagboekgedichten, als tweede stillevens en als derde gedichten die ontstaan omdat je je bewust bent van een literair landschap en die daar iets aan toevoegen. Ik denk dat deze drie fases elkaar niet uitsluiten. Ja, ik ben autobiografisch. Ja, ik voeg iets toe.’

Jaren heeft hij aan het laatste deel van zijn bundel geschaafd, steeds weer opnieuw geprobeerd zijn gevoel duidelijk te maken. Tot het daadwerkelijk drukken van zijn werk bleef hij angstig of de vorm wel goed gekozen was.
Zijn interpretaties van omgeving en gedrag, gebeurtenis en opvoeding, vriendschap en vrijheid zijn gekleurd door zijn ervaringen maar samengevoegd met voorbeelden uit literatuur en muziek. Hoewel hij niet opgevoed is in een cultureel geëngageerd gezin, waren er wel boeken maar hij begon laat met lezen. Van al zijn voorbeelden noemen we alleen Jan Arends die voor hem in feite een anti-dichter was; hij hoopt op dezelfde eerlijkheid.
Muziek kwam sneller binnen. ‘Ik beken de Pixies te hebben beluisterd maar vond ze nogal tam, ik had opruiende punk verwacht.’ Niet dat Jonathan opstandig of verveeld is, alleen doordrongen van een diep besef dat zijn werk vernieuwend moet zijn en iets moet toevoegen. En hij bevindt zich nu in andere kringen, de vriendengroep van vroeger is uit elkaar gevallen. Wijk werd verruild voor een heuse stad, Utrecht en daarna voor Doorn.
Schrijven is onderdeel van een groeiproces en hoewel hij niet denkt dat hij inhoudelijk anders gaat werken, distantieert hij zich van een aantal eerdere uitspraken. Hij is per slot van rekening allang geen Full Time Prutser meer.
Rond zijn vierentwintigste begon Jonathan met het opsturen van verhalen naar tijdschriften en viel hij in de prijzen. Dat was vermaak en een manier om zich te uiten; nu is het werk. Via vrienden — dichters in zijn netwerk — kwam hij bij de uitgever. Hij weet dat het zo werkt maar heeft een hekel aan het woord ‘lobbyen’ en ook ‘netwerken’ is niet aan hem besteed. Hij ervaart zijn vriendschappen onder collega’s als echt en waardevol.
De eerste uitgever wees hem af, de tweede haalde hem binnen en liet hem ook alvast tekenen voor zijn volgend manuscript, een verhalenbundel die volgend jaar af moet zijn. Gevraagd naar het verschil met zijn poëzie, antwoordt hij dat hij opnieuw moet definiëren wat overbodig is.

‘Het is weemoed, geen troosteloosheid’, zegt hij als ik mijn leeservaring deel, ‘soms schaamte maar zeker geen cynisme’. Hij blijft zoeken naar woorden om het zo goed mogelijk uit te leggen en heeft moeite met de grote algemene begrippen. ‘Schoonheid, bijvoorbeeld, wat is dat eigenlijk en is dat niet veel meer dan…..’

Voelen is inderdaad nog steeds belangrijker dan begrijpen.
Hij schrijft niet alleen voor zichzelf en denkt dat hij eigenlijk niet anders kan dan schrijven. Maar hij wil niet afhankelijk zijn van mogelijk succes. Zijn basisinkomen haalt hij uit het werken in de zorg; na de middelbare school koos hij verpleegkunde. De combinatie kost hem alle energie, beide activiteiten kan hij niet half doen.
Het schrijven gebeurt veelal ’s avonds of ’s nachts. Het moet stil zijn en zelfs de kat kan al teveel afleiding geven. Zijn vriendin die tijdens het gesprek over hun vrolijke vakantiefoto’s scrolt, heeft zich getroost met haar naam op de eerste pagina van de bundel.
Bij het wakker worden schrapt Jonathan de helft weer, en dan nog eens en nog eens. Hij is niet snel tevreden, een perfectionist die overlegt met zijn lezer en dan opnieuw begint.
‘Het kleine groot maken’ gebeurt nu in een andere vorm dan gisteren en verandert misschien morgen wel weer. Als ik vraag wat belangrijker is, vorm of inhoud, zegt hij ze niet los van elkaar te zien. Voor de bundel Wijk had hij wel het concept als eerste klaar, er zouden reeksen komen van gelijksoortige gedichten, daarna heeft hij dat met taal ingekleurd.
Er is iemand die altijd meeleest, vriend Roelof ten Napel, en hem behoedt voor blinde vlekken. De lezer neemt namelijk niet dezelfde stappen als de schrijver. Ik complimenteer hem met het feit dat hij een ander toelaat op zijn terrein, in staat is zijn werk ook weer los te laten. Jonathan betwijfelt dat laatste.
Zelfs toen zijn werk bij de uitgever lag, had hij lang het gevoel dat het nog niet klaar was, dat er nog een andere manier mogelijk was. Hij weigerde zelfs in zijn eerste exemplaar te kijken. De bundel bleef zeker twee maanden dicht op tafel liggen.

Verguld met de recensie in Meander bekent hij dat hij natuurlijk waardering wil. Hij gelooft ook wel dat zijn ouders trots zijn hoewel binnen zijn familie alleen de oma van zijn vriendin iets met poëzie heeft. Zij heeft haar vragenbriefjes tussen de bladzijden van zijn bundel gestopt.
Af en toe treedt hij op voor het directe contact met zijn publiek, het gaat hem niet altijd gemakkelijk af, veel hangt af van de sfeer in de ambiance en hoe hij geslapen heeft. Tijd zelf iets te organiseren is er nauwelijks, ook het collectief dat hij startte, ligt op zijn gat.

Als er foto’s gemaakt worden reageert hij onwennig en brengt een van zijn dichtregels naar boven, hij kan niet tegen ‘ruimte die vastligt’. Zijn witte handen gebaren. En terwijl ik zijn donkere ogen illustratief vindt bij ons gesprek, ervaart hij het fotograferen als een noodzakelijk kwaad. Aan de overkant wijst een kerkklok ons de tijd, hij moet naar de uitgeverij voor de nieuwe bundel van Erik Jan Harmens. Hij belooft het alternatief voor ‘schoonheid’ na te sturen.