Interview met Elbert Gonggrijp

Niets ligt vast

 

‘Hoeveel pillen had je nodig voor dit interview?’ vraag ik bij binnenkomst. Dichter Elbert Gonggrijp (1965)  herstelt nog van de zware psychose die hij vorig jaar kreeg. Een interview als dit, hoe blij en trots hij er ook mee is, tart zijn grenzen. ‘Extra veel’, zegt hij ironisch. Dit is zijn eerste grote publicatie en hij wordt erdoor verrast.

Het afbouwen van de medicijnen gaat gepaard met fysieke pijn en slecht slapen. Hij is blij dat hij de normale dingen weer kan oppakken. Het schrijven gaat moeizaam. Hoewel hij is begonnen met een ‘Jac P Thijsse poëzieduinboek’. Hij zegt het lachend. Elke dag beklimt hij het duin vanuit het dorpje aan de kust waar hij woont. ‘Worden we ooit vrienden?’ vraagt hij zich dan af. Hij voelt zich een met de natuur. Zijn veelomvattende kennis hindert hem niet, want hij kijkt nog steeds als een kind. Als volwassenen lijken we zo ver afgedwaald. Daar kan hij treurig van worden.

Hij leeft in het moment. Zijn filosofie is geënt op de praktijk. ‘In het hier en nu hoeven dingen niet per se een definitie te hebben. Ze zijn er gewoon zoals vogels hun lied zingen.’ Hij houdt niet van regels en hekelt natuurvrienden die zich alleen richten op het determineren van de soort. Een hekel aan lijstjes in plaats van ervaringen. ‘Het dient zich aan’. Dit interview is daar een voorbeeld van.

Zijn eerste publicatie in 2003 werd verzorgd en aangemoedigd door de GGZ. Daarvoor waren het de ‘pennenstreken’ in zijn studententijd (Groningen, milieukunde, niet afgemaakt). Tegenwoordig gaat het gemakkelijk: via Facebook en zijn weblog ( http://natuurgedichten.blogspot.nl/). Hij geniet van de reacties die daarop binnenkomen, maar de vraag voor wie hij schrijft, is niet belangrijk voor hem. Hij heeft nog nooit werk opgestuurd naar derden.

Hij draagt graag voor en leert daartoe zijn werk uit het hoofd. Hij wil zijn enthousiasme voor de poëzie delen. Daarom komen er soms veertig berichten van hem langs in een uur, vol met andere dichters of favorieten in kunst en muziek.

In 2011, het jaar waarin hij voor het eerst op mijn podium stond, was het plezier er wel maar de angst was zichtbaar. Door daar eerlijk over te zijn en zijn kwetsbaarheid te tonen, sloot het publiek hem in de armen. Hij was moeilijk verstaanbaar en met zachte stem te bescheiden. Zijn groei is duidelijk. Zo hield hij vorige week nog een verhandeling voor een grote groep cliënten van de GGZ over de ongekende mogelijkheden die de bipolaire stoornis hem geeft. Over de enorme creativiteit die deze natuurdichter met beperking ervaart. Hij kent zichzelf inmiddels goed, verbloemt zijn ziekte niet en heeft een lichte zelfspot.

Zijn vriendin heeft hem zelfvertrouwen gegeven. Zij zingt zijn werk, beheerst adem en klank en heeft hem leren tellen tussen de regels. Het werken met haar heeft verstrekkende gevolgen gehad. Sinds enige tijd wonen zij samen. Als kunstenaarsduo geven ze bijvoorbeeld poëzieles aan kinderen. Alleen nu even niet. Het komt weer, daar zijn ze heilig van overtuigd. Eerst dat herstel. Zij filtert de buitenwereld voor hem, zorgt en waakt. Ze moet selectief zijn in de keuzes. Alleen dit gesprek al heeft hem een paar nachten gekost, en dan zijn wij nog vrienden.

Fysieke pijn belemmert hem niet in het schrijven, zegt hij, en zelfs tijdens zijn psychose kon hij dichten. Al is het niet meer terug te lezen. Zijn manische gedachten kan hij in al hun associaties nu niet meer volgen en het handschrift is onleesbaar. Toch desoriënteert pijn natuurlijk en versmalt je visie. ‘Laten we een minuut stilte houden voor iemand anders’, zegt hij plotseling. Hij verwijst naar de dood van Wim Brands, die hij bewonderde.

‘Ik heb één dwangneurose’, zegt hij later ‘dat is poëzie’. Een depressie is slechts een fase, hij heeft altijd hoop gehouden hoewel hij in het verleden perioden gekend heeft waarin hij aan bed gekluisterd was. Fasen kunnen lang duren, dat wel.
Hij schrijft in één keer, daarbij gebruik makend van de aantekeningen die hij tegenwoordig inspreekt in zijn smartphone, vooral tijdens excursies en wandelingen. Gek zou hij worden van het ploeteren en schaven, het uitstel. Hij noemt het uitweiden van zijn oude favoriet Rutger Kopland over ‘het maken van een gedicht’, achterin zijn lievelingsbundel Al die mooie beloften. Juist de natuurlijkheid van Kopland maakte hem tot idool. Toen hij op zijn zestiende begon met dichten, kopieerde hij hem. Nu vindt hij dat gedateerd natuurlijk. Maar het spijt hem wel dat hij tijdens zijn psychose zijn eerste werken heeft weggegooid. Hij haalt verontschuldigend zijn schouders op.
De ondertoon in zijn poëzie is altijd heimwee naar iets wat hij niet kende, heimwee naar later. Innerlijke taal die verwoord mòest worden, soms op bijna abstracte wijze. Bij het beleven van zijn eerste liefde werden natuur en beleving ineengevlochten. En hoewel hij nu met spijt constateert dat hij niet echt meer over liefde schrijft, is zijn relatie een vruchtbare basis.
De kern in zijn werk is de kwetsbaarheid die hij beeldend verwoord. Ook vindt hij het belangrijk dat het grammaticaal klopt, al laat hij graag een werkwoord weg of strooit overvloedig met bijvoeglijke naamwoorden. Hij heeft duidelijk favoriete woorden zoals ‘mogelijk’. ‘Logisch’, zegt hij, ‘niets ligt vast’.
De manier van kijken kenmerkt het schrijven, terwijl het ambacht net zo noodzakelijk is als ademen. ‘Dichten’, zo omschrijft zijn vriendin, ‘als een soort ‘wordt vervolgd’.

Ik citeer uit bijgaand gedicht WREVEL ‘dat arriveren geen daadwerkelijke bondgenoten biedt’ en vraag of dat betekent dat hij teleurgesteld is in taal? ‘Wie is die dichter?’ vraagt hij, ‘wat een mooie zin’. Hij kan zich niet herinneren waar die zin vandaan komt. Misschien bedoelde hij ermee dat hij geen band heeft met ‘manlijk dichten’ –‘de constructies om een idee’–. Hij houdt van het zachte in het werk van Hans Andreus, Herman de Coninck, Vasalis.

Ze vertellen me met plezier elke dag voor het eten elkaar een gedicht voor te lezen waarna ze toosten op de dag. Het grijpt terug op het dagelijks bijbellezen met dankgebed uit hun jeugd. Ze halen de spirituele beleving uit zichzelf, herontdekken de randvoorwaarden voor een beter leven, planten de tuin langzaam vol met eerstelingen. Het herstel gloort.

(De volgende morgen krijg ik een mail van Elbert waarin hij nogmaals zijn bezorgdheid uit over de mogelijke gevolgen van dit gesprek. Hij benadrukt dat het hem vooral om de toon gaat in zijn poëzie, de zachtaardige liefdevolle toon naar natuur en mens en dat hij nog zo goed als onbekend is. Ook heeft hij de betekenis gevonden van die prachtige zin, ‘dat arriveren geen daadwerkelijke bondgenoten biedt’: hij wil tot de elementen doordringen en deel worden van de duinenrij naast zijn huis maar ze zijn vaak onherbergzaam. Het heeft te maken met zijn jeugd waarin de natuur een plaatsvervangend thuis werd.)