Interview met Geert Viaene

‘Poëzie proef je het best lepeltjesgewijs’

 

Geert Viaene (1963), Brugge, straatmuzikant, langeafstandsloper en dichter, behaalde de tweede prijs in de Turing Gedichtenwedstrijd 2015; werk werd eerder opgenomen in de bloemlezing van Het Gezeefde Gedicht en (onder pseudoniem Bianca Lapin) als de gedichtenbundel LalalaLaila.

Hoe verhouden de straatmuzikant, de langeafstandsloper en de dichter zich ten opzichte van elkaar?
Je pikt meteen drie facetten uit die mij uitermate boeien. Ze hebben meer gemeen dan je zou denken. Het eigen lichaam spreekt en neemt soms over: blik, stem, vingers, voeten, benen leiden een eigen leven. Terwijl het lijf traint staan alle zintuigen op scherp. Je neemt anders waar. Je verliest jezelf en krijgt er nieuwe indrukken voor in de plaats. Onder dit oefenen versta ik naast zingen, gitaar spelen en hardlopen ook het schrijven. Soms voel ik een drang om muziek te spelen, buiten, samen met en voor anderen. Of de zon zuigt mij uit mijn stoel als ik schrijf en ik zet het op een lopen. Ondertussen maalt wat ik gelezen of geschreven heb verder in mijn hoofd. Het gebeurt af en toe dat ik naar mijn telefoon grijp om te noteren wat me te binnen viel of iets wat ik zag. Thuis ga ik ermee aan de slag.
Ik heb het geluk dat ik ook tijdens mijn werkuren – ik geef workshops poëzie en muziek aan volwassenen met een visuele beperking – creatief bezig kan zijn.

Poëzie is ademen (aangehaald bij ‘Zij Ziet De Bui Hangen’) zeg je. Hardlopen is adem beheersen of verliezen. Kom je buiten adem in een bepaalde gemoedstoestand die het gedicht makkelijker toelaat?
Het voordeel van regelmatig trainen is dat je niet buiten adem aan de schrijftafel of in je stoel neerploft maar er juist een boost door krijgt. Je verlegt de grenzen geleidelijk anders loop je het risico op kwetsuren of peesontstekingen. Wat poëzie betreft kan ik – als ik dit vergelijk met anderen – best stellen dat ik een veelschrijver ben. Niet alles doorstaat mijn eigen kritische herlezing, maar het biedt de mogelijkheid om grondig te werk te gaan bij het schrappen.

Is het dichten ontstaan uit de muziek? Is ritme in je werk belangrijk?
Ik leerde gitaar spelen toen ik veertien was, zingen en vooral fluiten heb ik altijd al graag en veel gedaan. Als ik naar school fietste kon je mij altijd horen aankomen. Het schrijven van gedichten doe ik nog niet zo lang. In 2013 ontdekte ik bij toeval op de site van Creatief Schrijven dat je je kon inschrijven om dagelijks een poëzie-opdracht toegestuurd te krijgen per mail. Daarin kwamen alle mogelijke vormen van poëzie aan bod, gekoppeld aan een persoonlijke opdracht. Het werd een verslaving om de nieuwe opdracht vanaf 7 uur ‘s morgens te lezen en aan het werk te gaan. 366 opdrachten veranderden mijn leven. ‘En dan is alles anders’ is misschien niet eens zo toevallig de titel van het Turinggedicht in mijn geval. Eén opdracht gaf de doorslag voor mij. Daarin werd gesuggereerd dat je een overledene ontmoet op de bus, in de winkel, op weg naar je werk en er een gesprek mee aangaat. Hier ontstond het eerste gedicht waarin mijn moeder opdook. Zij is ondertussen niet meer weg te denken uit mijn gedichten. Dat het belangrijk is hoe een gedicht klinkt en vloeiend leest leerde ik vooral door zelf poëzie voor te dragen. Het spreekt voor zich dat metrum en ritme van belang zijn.

Zijn er voorwaarden waarbinnen je schrijft?
Ik schrijf in alle omstandigheden: met radio of televisie aan, terwijl er bezoek is, als er muziek speelt of in stilte. Dat zal ongetwijfeld invloed hebben op hoe ik schrijf. Mijn inspiratie vind ik in flarden van gesprekken, beelden die blijven hangen, geuren die beklijven of – zoals Daniel Billiet zijn schrijfopdracht altijd eindigde: of net het tegenovergestelde! Een van de belangrijkste kenmerken van goede poëzie -dat leerde ik in de workshops die ik volgde- is urgentie. Een gedicht moet ook geloofwaardig zijn en kan tegelijk humor bevatten. Vaak komen de woorden geforceerd over, zoek je de beeldspraak te ver, verdwaal je in grote woorden als liefde, eenzaamheid, verdriet, situaties die je beter kunt omzetten in concrete handelingen die herkenbaar zijn voor de lezer.

Hoe belangrijk is de lezer voor je?
Poëzie proef je het best lepeltjesgewijs. Het is een cliché dat een bundel thuishoort op het nachtkastje. Naast mijn bed ligt een leeg schriftje met een pen. Als je een ruim publiek kunt bereiken is dat meegenomen. Charles Ducal en Roel Richelieu Van Londersele namen het initiatief voor ‘Het Gezeefde Gedicht’. Ik ben hen heel dankbaar dat je op deze manier je gedichten kunt delen en dat ze ook gelezen worden door onder andere uitgevers. Sommige van mijn gedichten zijn intussen ook verschenen in literaire tijdschriften; het betekent dat een nieuw publiek ze kan lezen en dat vind ik waardevol. Dat mijn vader inmiddels ook af en toe poëzie leest -ook al zegt hij er niet veel van te begrijpen- doet mij veel plezier.

Je hebt onlangs gedichten gemaakt over Kwetsbaarheid, als onderdeel van het project Kracht Ontpopt. Maak je vaker in opdracht gedichten?
Regelmatig probeer ik gedichten in te sturen voor poëziewedstrijden en af en toe wordt verwacht dat je binnen een bepaald thema een gedicht schrijft. Dit kan inspireren. In het geval van Kracht Ontpopt was voor mij vooral de samenwerking belangrijk met mensen die in een kwetsbare situatie zitten. Zo schreef ik het gedicht ’Mijn papa is een boom’ naar het verhaal van één van de deelnemers. Haar ervaring greep mij aan en zette mij er toe aan om dit onder woorden te brengen.

Brugge, je woonplaats, verschijnt in talrijke literaire geschriften en krijgt er zelfs een nieuw literair festival bij, Bru Taal. Hoe is het wonen in een dergelijk stimulerende omgeving?
Ik kan mij inbeelden dat er op het gebied van poëzie heel wat meer gebeurt in Antwerpen, waar je een forum hebt als Creatief Schrijven waar cursussen georganiseerd worden en optredens, in Gent waar je het Poëziecentrum hebt of in Brussel waar meer initiatieven zijn op dit gebied.
In een stad waar namen als Guido Gezelle en Hugo Claus thuis horen, maar niet naar waarde worden geschat, zou het stadsbestuur er goed aan doen eindelijk eens officieel een stadsdichter aan te stellen.