Gedichten

Ochtendspits

Met de zon komt klapwiekend ook het mensdom op
uit spuigaten kruipen de bochelvrouwen, de joggers
en de bloggers en iets later ook de draaideurmannen
buikademhalend in een luchtbel van airco en Hugo Boss

Op dit uur zijn er nog geen hipsters of dichters te bespeuren
ook geen Japanners, zij liggen slapend te glimlachen
in een bed kaarsrecht als een selfiestick

Djingelend en djangelend nadert het peloton
tweewielende snelheidshelden, zichzelf voorrang zwerend
met bellen en vervloekingen alsof ze een religie vormen

Klonters pendelaars en pelgrims komen uit stations gebraakt
een commune biobruinebroodjesvolk bestrijkt de stad
doorweekte jassen hangen van schouders af, zweten natte dromen uit

Iedereen valt over iedereen, de hangende jeugd voorop
ze kriskrast en wirwart en houdt geen halt voor passanten
wachten op sacramenten is niet van deze tijd

In koffiehuizen malen ze vingers tot melkschuim
en gutsen er figuren mee, een sponzig hart of zwanenhals
onstuimig als liefde in een mok gegoten en aangelengd

De vuilnisvreters zijn gepasseerd, het rot is keurig
uit het frame geveegd, de ongelovigen verslapen erin hun roes
her en der schuilt nog een dakloze voor het licht

Zondagskind

Iedereen wil ooit wel eens een keel oversnijden
zoals er altijd de onweerstaanbare drang bestaat
om een vingernagel net iets te ver te scheuren
tot je begint te bloeden als een rund

Daarover spraken we, en we spanden onze buikspieren
om uit te maken wie van ons de zwaarste herinnering kon tillen
we geloofden dat sterk zijn aangeboren was zoals grote oren

We dachten dat je in een zandbak gelijk wat kon begraven
zelfs een broertje
dat het zand gestaag iedere holte van zijn lijf zou vullen
zodat we nu, elf jaar later, een opgezette versie hadden
om op te hangen naast grootmoeder bij de trap

Nu we weer in de zandbak staan, ditmaal zonder aftelversjes
en we de spelregels van schaar steen papier zijn vergeten
spannen we onze buikspieren en lachen om het hardst
terwijl we graven naar broertjes, spijkers en een hamer

Ieder afsterven begint bij een uiteinde en kruipt naar binnen
zeg ik omdat elke strijd oneerlijk is
want wie op een dinsdag is geboren, is een leven lang miserabel
en wie ’s zondags, buldert zich een hernia

Stamkroeg

De koffie loopt door, brandt zwarte gaten in mijn kop
ik brouw witte wolken uit gesprekken aan de toog
de ene klaagt zijn tanden bloot, de ander leest de krant
en verzamelt klontjes suiker in zijn broekzakken

Luchtbellen zijn te ondraaglijk om door te slikken
voor Bernard die zich De Tijd laat noemen
zijn grijze haren dwarrelen hem achterna

Naast me zit een meisje dat nooit zichzelf is
zichzelf te worden in een handspiegel
ze is een zenuwachtig spitsuur, sprekend in claxons
haar trillende linkerbeen houdt ons in leven
en als wederdienst luisteren we naar haar schallen
dat met de dag meer en meer op spreken gaat lijken
verdriet verdrinken is moeilijk in een Masala Chai latte

Uit: Max Greyson (2016). Waanzin went niet. Uitgeverij De Arbeiderspers