Interview met Joyce Willemse

‘Ik zag u in de krant’

 

Joyce Willemse (Eindhoven, 1971) studeerde International Management en had enige tijd een eigen praktijk als adem- en ontspanningstherapeut. Ze woonde en werkte in Parijs. In haar eigen atelier maakt ze voornamelijk etsen. Ook schreef ze een roman: Assepoester is mijn heldin. Sinds vorig jaar is ze stadsdichter van Veenendaal. In de Turing Gedichten Wedstrijd 2016 werd ze derde.

Je bent sinds twee jaar stadsdichter van Veenendaal. Op de website zie ik dat je het er druk mee hebt. De aanleidingen voor de gedichten lopen uiteen van de onthulling van kunstwerken en het vijfjarig jubileum van een cultuurhuis tot aan een gedicht over de opvang van vluchtelingen in Veenendaal en de verdrinkingsdood van een vijfjarig jongetje. Welke rol speel je als stadsdichter binnen de gemeenschap?
De functie die ik als stadsdichter vervul is wisselend. Soms ben ik een veredelde hofnar. Of een troubadour. Soms lijk ik de lijm tussen mensen of groeperingen te zijn. Soms groeit een gedicht groter dan ik op voorhand had kunnen inschatten, zoals het gedicht ‘JS’, geschreven voor een voetballer die speelde voor een plaatselijke voetbalclub. Hij kreeg een zwaar auto-ongeluk. Het gedicht werd massaal gelezen en gewaardeerd door de voetbalfans.

Krijg je veel reacties?
Ik krijg op de vreemdste momenten en plaatsen reacties op mijn werk. Bij de kassa: ‘Ik zag u in de krant’ – daarmee een gedicht bedoelend. Of: ‘Ik vond dat gedicht heel erg mooi, maar die laatste van u, dat vond ik helemaal niets.’ Iemand liep me eens achterna naar de toiletten om te zeggen dat mijn gedichten haar ontroeren. Er zijn ook mensen die me vertellen dat ze mijn gedichten nooit begrijpen. En er zijn mensen die pas een jaar nadat ik als stadsdichter geïnstalleerd was opmerken: ‘Dus u bent onze nieuwe stadsdichter?’
De mooiste reactie vond ik tot nu toe, dat iemand zei eerder nooit gedichten te hebben gelezen, maar er steeds meer door geraakt te worden en die nu zelfs in de boekhandel stiekem richting poëziekast schuifelt. Bijna net zo dierbaar is de reactie van mensen binnen een plaatselijke vereniging waar ik een lezing gaf over poëzie. Ze merkten op dat ze nu ‘meer begrijpen van hoe dat zit met gedichten.’

In welke opzichten verschillen je ‘eigen’ gedichten -afgezien van de onderwerpen- van wat je als stadsdichter schrijft?
Mijn eigen gedichten zal ik nooit schrijven met een doelgroep in gedachten, terwijl dat bij stadsgedichten wel enigszins zo werkt. Ik houd er toch vaak rekening mee dat ze voor een groot publiek toegankelijk moeten zijn. Ik doe daarin soms een concessie, maar het blijft altijd mijn eigen stem die erin doorklinkt.
Bij eigen gedichten zal ik nooit concessies doen, of het moet zijn op redactieniveau, maar niet voor wat betreft woordkeuze, onderwerp of stijl. In de stadsgedichten wissel ik meer. Dat gaat vanzelf, waarschijnlijk omdat de inhoud een vorm zoekt. Bij stadsgedichten gebeurt het regelmatig dat ik op ‘heel korte termijn’ moet leveren en dat ik een gedicht niet kan laten sudderen, of over een komma kan neuzelen. Bij mijn eigen gedichten bepaal ik zelf wanneer iets naar buiten kan of niet.

Wat heeft de derde prijs bij de Turing Gedichten Wedstrijd je opgeleverd?
Een derde plek, wil ik bijna jolig zeggen. Een serieuze reactie is: veel felicitaties en positieve reacties. Een plek in de loofgangen van ‘Dichters in de Prinsentuin’ 2016 en verder… Nee, dat is het. Het is dus vooral cv-opbouw, vermoed ik. Ik bleef nuchter onder die derde plek, in de zin van: er verandert heus niets, ik ga gewoon door met schrijven. Het kan ook zijn dat ik me met die nuchterheid bescherm tegen teleurstelling, want ik besef door jouw vraag nu ook, dat ik mijn poëzie(toekomst) serieuzer ben gaan nemen door die derde plek en dat een groot publiek hebben weliswaar betekent dat je kwetsbaar bent, maar dat het ook heel fijn is. Ik wil tenslotte graag gelezen worden.

Een van de Meandermedewerkers die je gedichten las zei “het schrijnt” en ik kan me daar iets bij voorstellen. Jij ook? Ook bij sommige van de prozateksten op je website krijg ik dat gevoel. Is ‘doen schrijnen’ iets wat je bewust probeert te bereiken of komt het van binnenuit?
Tijdens het schrijven van een gedicht streef ik ernaar een bepaald beeld, een emotie, gedachte of ervaring neer te zetten in compacte taal. Liefst op een manier waardoor de ervaring die ik had, universeel kan worden. Dat dit onderwerpen zijn die schrijnen, of dat mijn manier van verwoorden misschien schrijnt, daarvan ben ik me vaak niet bewust. Ik besef dat meestal pas nadat het gedicht er staat. Soms pas na voordragen en reacties van anderen. Taal raakt. Dichters en schrijvers spelen daarmee, bijvoorbeeld door schoonheid uit te drukken in ritme of in een beeld. Dat ‘het schrijnt’ zoek ik niet op. Iemand zei tegen mij over het gedicht ‘Kleine universa op wielen’, “Wat een naar gedicht”. Een naar gedicht schrijven was niet mijn opzet, maar ik snap het wel. Dat gedicht is voor mij echter vooral het bewijs dat het mogelijk is om twee bestaande beelden die ik al enige tijd in een van mijn zwarte notitieboekjes had staan, te verenigen. Namelijk: het beeld van honderden cocons op de weg, waarin ieder een eigen wereld creëert. En anderzijds mijn eigen herinneringen. Ik kan niet anders, het is altijd al een drang geweest om mijn belevingen en gedachten op papier te zetten. Mensen zijn sponzen: ik knijp mezelf uit boven het papier of boven het toetsenbord.

In het blog op je website ga je op behoorlijk persoonlijke zaken in. Er is daar geen mogelijkheid tot reageren, maar krijg je die reacties wel?
Het klopt dat ik de mogelijkheid tot reageren voor het blog niet ingeschakeld heb. Dat is bewust. Wat ik wel doe, is lezers de mogelijkheid bieden om via mijn publieke Facebookpagina te reageren. Mensen weten me te vinden en ik krijg best veel terugkoppeling op wat ik schrijf. Het meest evident zijn de duimpjes onderaan de blogs. Vervolgens de reacties op de Facebookpagina, onder de link naar de stukken. En tot slot krijg ik regelmatig privéberichten via diezelfde pagina. Het overkomt me ook, dat mensen me pas hun mening of reactie geven, wanneer ze me in het openbaar treffen en persoonlijk kunnen laten weten wat ze ervan vonden.

Voor zover ik dat kan beoordelen is je grafisch werk minder ‘schrijnend’ dan je gedichten. Eerder romantisch eigenlijk. Komt je beeldend werk voort uit een ander gedeelte van je persoon?
Voor zover ik weet, put ik bij het maken van kunst uit dezelfde bron als waaruit mijn gedichten ontstaan, maar ik snap wat je bedoelt. Je hebt waarschijnlijk etsen gezien uit een oudere serie ‘Chaque femme sa robe’.

Ja, deze hier.
Het is een serie waarvoor ik verschillende vrouwelijke figuranten creëerde en voor elk van hen een jurk ontwierp die door middel van collografie (materiaaldruk: het meedrukken van materiaal op de zinken etsplaat, in dit geval kant) op papier verscheen. Dat oogt al snel romantisch, maar het idee erachter is dat vrouwen ondanks hun verbeterde positie dankzij het feminisme, toch altijd onderworpen zijn aan hormonen en dat als gevolg daarvan in bijna elke vrouw (misschien wel tegen wil en dank) een Sissi schuilt. Al snel ben ik deze serie gaan combineren met de veel donkerdere serie over WOI, waarbij ik stukken uit Franse kranten uit diezelfde periode gebruik. Voor een andere, op handen zijnde expositie werk ik met het thema ‘uiteenvallen’ en daarvoor heb ik etsplaten met een slijptol doormidden gezaagd. Die serie oogt abstracter dan wat ik ooit gemaakt heb. Bij deze expositie heb ik ook een mini-installatie vervaardigd met de titel ‘vaginamonologen’.

Wat zijn je toekomstplannen op artistiek gebied?
Dat toekomstplan is best wel helder, maar nog niet uitgekristalliseerd. Ik blijf schrijven en creëren. Ik werk aan een tweede roman en ik droom van een dichtbundel bij een uitgever. Een recent gedebuteerde illustratrice waar ik ooit mee samenwerkte, heeft me gevraagd een verhaal van mij om te schrijven tot prentenboekverhaal, zodat zij de illustraties voor haar rekening kan nemen. Tijdens het stadsdichterschap zocht ik samenwerking met meerdere muzikanten (singer-songwriters en rappers) waarvoor ik liedteksten schreef, en daar wil ik mee verder.
Ik zou graag als dichter en kunstenaar kunnen leven. Geen groots en meeslepend leven, gewoon mezelf ermee kunnen onderhouden, brood op de plank. Liefst in een loft met daarin ruimte voor een atelier, of een boerderijtje met aangrenzend atelier. Rust en ruimte. En dan net als Anton Heyboer opgaan in levenskunst: artiest zijn en regelmatig optreden (dat laatste deed hij dan weer niet, al ging hij in zijn vroege jaren wel langs de deuren om zijn etsen aan te prijzen). Als ik het geld zou hebben, dan zou ik ook een pied-à-terre dromen in Barcelona. Een heerlijke stad die me enorm inspireert tot het maken van kunst en het schrijven van gedichten. De poëzie klinkt in het Spaans immens muzikaal.

Stadsdichter van Barcelona?
El poeta de la ciudad Barcelona. Die hebben ze er niet, toch? Dat is voor mij een brug te ver en die aspiratie heb ik niet. Maar je weet nooit, dus ik schrijf je als het er toch van gekomen is.