Poëzie Kort 2016 / 10

 

Arnold Jansen op de Haar, Het refrein van andermans leven

(Door Lennert Ras)

De bundel begint aardig en ingetogen. De vele aspecten van het leven komen voorbij als in een caleidoscoop. Ook de oorlog komt aan bod, maar mooi impliciet en niet te openlijk.
Maar met regels als ‘mijn pik is mijn god’ (p.18) en ‘beroer je roede op eenzame kamers’ (p.74) – alhoewel onanie natuurlijk ook een aspect van het leven is – haalt Arnold het niveau toch wat onderuit.
Naar het einde toe wordt de bundel warriger en springt hij van de hak op de tak. ‘Twistjurkcursussen staan lachend /aan de rand van het ijskoude / opblaasbare water // men plant zich voort via navels / buren steken hun snavels / door het gat in de heg’ (p. 79). Alsof hij net niet genoeg goed materiaal voor de bundel had, of hem heeft afgeraffeld. Ook de uitsmijter: ‘in die laatste seconde speelt opnieuw alles zich af,’ (p.80) is een beetje een gemeenplaats.

***
Arnold Jansen op de Haar (2016). Het refrein van andermans leven. Holland Park Press, 80 blz. € 12,50

 

Kees Engelhart, Trommelbrood en Crucifix

(Door Hans Puper)

Kees Engelhart is een intrigerend man. Niet alleen als dichter, maar ook als uitgever. De dichter publiceert veel – ook in tijdschriften – en gebruikt verschillende heteroniemen die schrijven in een voor hen karakteriserende stijl: Fabian de Sackenay, Mila Fertek, Nol Krentsch, Jacob Peereboom en anderen .
De uitgever Engelhart heeft nu twee bundels tegelijk uitgegeven: Trommelbrood en Crucifix onder zijn eigen naam enVlak achter roekeloze wegen onder het heteroniem Nol Krentsch. De bundels hebben banden met elkaar: zo heeft een van de gedichten uit Trommelbrood en Crucifix de titel van Krentsch’ bundel. Uitgever Engelhart is net zo’n buitenbeentje als de dichter: de bundels kosten niets en worden ook nog eens gratis verzonden. De enige vrijwillige tegensprestatie is een donatie aan Uitgeefhuis De Manke God.

In Trommelbrood en Crucifix is niets zeker. Feiten scheppen geen helderheid: ‘Onomkeerbaar lagen de feiten daar en / Voornamelijk het onweetbare / Speelde een vooraanstaande rol in elk ervan’. Deze constatering staat in de korte gedichtencyclus ‘Ongelukkigerwijs’. Ik citeer de eerste strofe als illustratie voor de manier waarop Engelhart te werk gaat om het onzekere te verbeelden:

Ongelukkigerwijs stormde even daarvoor
Een jongetje van nauwelijks vier
De brede paleistrappen op
Onbevreesd voor de naderende dood
Keken vogels toe
Een enkele marter

Wat er ‘daarvoor’ is gebeurd, komen we niet te weten en met de regel ‘Onbevreesd voor de naderende dood’ kun je verschillende kanten op. Keken vogels toe en waren zij onbevreesd voor de dood van het jongetje? Of waren zij onbevreesd voor hun eigen dood? Heeft die marter iets met de naderende dood te maken? Als je de strofe voor de eerste keer leest, gebeurt er nog iets anders: je verbindt de regel aan het jongetje en dan is hij onbevreesd. De hoofdletters helpen daarbij: je bent in eerste instantie geneigd de regels als afzonderlijke eenheden te zien. Wat na de vierde regel volgt, is bij eerste lezing nog onbekend.

Zelfs met zijn inhoudsopgave lijkt hij het onzekere te onderstrepen: de aangegeven volgorde ven twee gedichten is in de bundel omgedraaid. Maar is dat opzet of een vergissing? Je weet het niet.
Dat de dichter niets zeker weet, maakt zijn leven moeilijk, maar hij krijgt er wat voor terug, stelt hij in ‘Dichterbij kunnen we beslist niet komen’: ‘We nemen het zoals het is / We ervaren wat we kunnen / De rest is onbelangrijk / Voor ons wel te verstaan / Voor anderen kunnen andere wetten gelden’. Generaliseren doet hij niet, hij spreekt alleen voor zichzelf. Maar die anderen lopen wel de kans iets te missen: ‘Sommigen weten wat er wordt gezocht maar dansen / Nee daar kunnen ze niets van / (…)’.

Fascinatie en wanhoop. De laatste drie regels van het titelgedicht vatten beide kanten samen: ‘Allerlei dingen gedaan / Hoop gekoesterd afgrijzen soms / Veel gelachen ook.’ Laconieker kun je het niet zeggen, maar dat is schijn.

Bestellen, die bundel.

***
Kees Engelhart (2016). Trommelbrood en Crucifix. Uitgeefhuis De Manke God, 48 blz. Gratis te bestellen. (info@demankegod.nl)
Hetzelfde geldt voor: Nol Krentsch (2016). Vlak achter roekeloze wegen. Uitgeefhuis De Manke God, 49 blz.

 

Peter Handke, Gedicht aan de duur

(Door Hans Puper)

Huub Beurskens heeft Gedicht an die Dauer van Peter Handke vertaald onder de titel Gedicht aan de duur. Het stamt uit 1986, maar omdat het lange gedicht ‘filosofisch-narratief’ is, doet het eigentijds aan.

Toen Handke in 1986 onderweg was naar de post om het manuscript van de roman Die Wiederholung naar zijn uitgever te sturen, besefte hij tot zijn schrik dat hij het had laten liggen bij een marktkraam. Op hetzelfde moment hoorde hij een vrouw zijn naam roepen. Als hij naar haar toeloopt, herinnert hij zich ‘die andere stem’ die hem een kwarteeuw eerder ‘ook zo bezorgd, als van bovenaf, tegemoet kwam’. Dat was een moment dat hij de duur ervoer. (Je zou zeggen dat de titel Die Wiederholung een in het gedicht passende fictionalisering is, maar dat is niet zo: de roman is daadwerkelijk uitgegeven). Die ervaring is de aanleiding om diezelfde dag nog te beginnen met een onderzoek naar de duur. Het gedicht is daarvoor de geëigende vorm. Het begint aldus:

Al lang wil ik over de duur schrijven,
geen verhandeling, geen schets, geen verhaal –
de duur zet aan tot het gedicht.
Wil me afvragen met een gedicht,
me herinneren met een gedicht,
beweren en bewaren met een gedicht
wat de duur is.

Handke geeft een groot aantal voorbeelden waaruit je kunt opmaken wat hij onder duur verstaat, wat niet en aan welke voorwaarden een ervaring van duur moet voldoen. Aandacht bij alles wat je doet is daar de belangrijkste van: ‘bij het behoedzaam dichtdoen van een deur, / bij het zorgvuldig schillen van een appel, / bij het oplettend over een dorpel stappen, / bij het bukken naar een draad naaigaren.’ Duur kun je ervaren bij een besef van gelijktijdigheid: ‘onze lichamen ( … ) / voegden zich spelenderwijs samen, / terwijl tegen de muur van de kamer, / in het licht van de straatlantaarn, / de schaduwen van de tuinstruiken van Europa bewogen, / de schaduwen van de bomen van Amerika, / de schaduwen van de nachtvogels van overal.’ (26). Duur kan ook tijdloos zijn: ‘Bezield door de duur / ben ik ook die anderen, / die al voor mijn tijd aan het Griffener Meer stonden, / die na mij om de Porte d’Auteuil zullen lopen, / met wie ik allemaal naar de Fontaine Sainte-Marie / zal zijn geweest.’
Waarom al die moeite om duur te ervaren? Omdat je voelt dat je leeft; je raakt niet in vervoering, maar duur brengt je ‘in orde’.

Inhoudelijk is het gedicht interessant, maar poëtisch niet. De vorm doet willekeurig aan: als het een prozagedicht zou zijn, verloor het niet aan kracht.

***
Peter Handke (2016). Gedicht aan de duur. Vertaling door Huub Beurskens. Uitgeverij Koppernik, 48 blz. € 15,00

 

Carl Deseyn, De Ommeloze. Gedichten Annie Reniers & Claude van de Berge

(Door Hans Puper)

De Ommeloze is een mooi uitgevoerd boek met foto’s van Carl Deseyn, verrijkt met gedichten van Annie Reniers en Claude van den Berge.
‘De ommeloze’ is de naam van een minstens vierhonderd jaar oude esdoorn op een heuvel bij het Oost-Vlaamse dorpje Leupegem. ‘Om zich tegen parasitaire bedreigingen te beschermen groeit de boom in eenzaamheid’, lezen we in de inleiding. Het zal wel. De boom biedt in ieder geval een prachtige aanblik. Fotograaf Carl Deseyn heeft hem in alle seizoenen gefotografeerd, bij nacht en dag, onder alle weersomstandigheden, dichtbij en veraf. Compleet is deze opsomming niet; de foto’s zijn zonder uitzondering bijzonder, een enkele prachtig.
Bij series van vier tot zes foto’s hebben Annie Reniers en Claude van den Berge gedichten geschreven. Ik citeer er een van Annie Reniers, maar eigenlijk doe ik daarmee zowel haar als Deseyn tekort, want foto’s en gedichten zijn aan elkaar verbonden.

de esdoorn toont
in toekomstigheid
zijn oorsprong

 
bij terugkeer naar zichzelf
de bron
een oerveld in bladerval

uitgestrooide seinen
van geborgen wachten

 
vergaan verwelkt
nog niet

 
is er dit ogenblik
van feestelijk afscheid
naar herbegin

Boomsymboliek speelt een belangrijke rol in het boek. In zijn inleiding schrijft Claude van de Berge hierover onder andere: ‘Bijna alle kosmologieën zijn gebouwd op een boomsymboliek: de boom waaronder Boeddha verlichting vond, de boom waaraan Odin geketend was toen hem de runentekens werden geopenbaard, de sjamanenboom als kosmisch hologram, de boomvormige Joodse kandelaar en zelfs het kruis in het christendom.’ (Tot mijn schande moet ik bekennen dat ik bij de boomsymboliek van het kruis in de lach schoot.)
De bundel eindigt met twee spirituele stukken van Carl Deseyn: ‘Goden en valse platanen. Hoe de esdoorn aan zijn naam kwam’ en ‘De eeuwige’. In zijn visie moet je de levengevende bomen respecteren – geen weldenkend mens zal dit bestrijden, maar zijn wereld is mij toch vreemd. Dat de verkleuring van de bladeren in de herfst een ‘stresstoestand [is] waarbij de boom zich voorbereidt op de winter’: ok, dat kun je met enige goede wil zien een personificatie. Maar dat we dankzij bomen kunnen horen: nee. Spiritualiteit en eenvoudige, controleerbare natuurkunde verdragen elkaar niet altijd. Deseyn: ‘Bomen halen CO2 uit de lucht en pompen zuurstof in de atmosfeer. Geluid plant zich enkel voort in zuurstof. Dankzij bomen en planten kunnen we ademen, maar ook horen.’ En dat esdoorns kanker kunnen voorkomen, al is het maar bij koeien, ook daarover heb ik mijn twijfels: ‘Zieke grazers doen aan zelfmedicatie en zoeken boomknoppen en scheuten om zich te genezen. Het vezelrijke loof verteert ook veel beter dan wintervoer en voorkomt kanker.’

 
Hoe het ook zij, er valt genoeg te genieten aan dit boek.

***
Carl Deseyn (2016). De Ommeloze. Gedichten Annie Reniers & Claude van de Berge. Uitgeverij P, 2016. 124 blz. € 34,50