Barbecue na safari

 

Een contrastvolle klankreis

Laurens Ham (1985) is literatuurwetenschapper en essayist. Hij werkt aan de Universiteit Utrecht als docent Moderne Nederlandse Letterkunde. Onlangs verscheen zijn debuutbundel Mijn Grote Schuld bij Uitgeverij Wereldbibliotheek.

Hoe wij met onze toeristische reizen ingrijpen in de wereld om ons heen is een thematische rode draad in Mijn grote schuld . In een omschrijving van je bundel lees ik:
‘Er wordt een wereld opgeroepen waarin alle grenzen zijn weggevallen.
Een toerist op safari dresseert zijn aap en is tegelijk aan hem onderworpen. In een fascistische droomstad vloeien klassiek-Romeins verleden en hedendaagse politiek samen. Mensen trekken rond in een oneindige woestijn nadat het toerisme vernietigend heeft toegeslagen.’
Beoog jij met de gedichten in deze bundel je lezers tot inzichten te brengen omtrent het reizen?
Ik geloof niet dat het lezen van een dichtbundel mensen tot heel nieuwe inzichten of zelfs een nieuwe levensstijl kan aanzetten. Goed, misschien is er af en toe een bundel die je écht helemaal door elkaar schudt en je leven een beetje verandert – zelf heb ik dat gehad bij Paul van Ostaijens Bezette stad en Hogevalk van Vicente Huidobro – maar dat komt zelden voor. Wel hoop ik dat mijn bundel iets prikkelt in de verbeelding van de lezer. Het is een beeldrijk boek, vind ik zelf. Idealiter zet het boek via die verbeelding aan het denken over de manier waarop onze reizen met het kolonialisme zijn verbonden, of met het verlangen naar een glorieus verleden.
Als het gaat om de invloed van literatuur op de levensstijl van mensen, denk ik dat proza op dat punt meer teweegbrengt dan poëzie, omdat een roman of verhaal eerder uitnodigt om je in een personage in te leven. Er zijn ecokritische wetenschappers die denken dat literatuur kan helpen om meer inzicht te krijgen in ecologische processen. Het idee is dan: als je van een afstandje het milieuonvriendelijke gedrag van een personage bekijkt, ga je zelf ook anders over je eigen leven en ecologische voetafdruk nadenken. Misschien is daar wel iets van waar. Maar zoals ik eerder al zei: ik denk dat we ook niet té optimistisch moeten zijn over de mate waarin literaire werken mensen aanzetten tot een andere levenswijze.
Wat ik zelf misschien een grotere eye-opener vond, was het bijwonen van een bijeenkomst waarin twee onderzoekers die veel met dieren werkten over hun onderzoek vertelden. Ze hadden zo’n vanzelfsprekende kennis van en respect voor de dieren. Mensen die zo’n ‘geleefde’ kennis van de natuur hebben, daarvan kunnen we veel leren. Ik denk dat Anneke Brassinga in het Nederlandse taalgebied bijvoorbeeld een schrijver is voor wie dat geldt, en ook Miek Zwamborn.

In hoeverre zijn leven en schrijven voor jou met elkaar verbonden? Leef jij wat je schrijft?
Mijn bundel is grotendeels gebaseerd op reizen die ik zelf gemaakt heb de afgelopen jaren. De afgelopen jaren merkte ik dat ik op reis steeds minder voor de toeristische highlights ging, maar steeds meer geïnteresseerd raakte in sociale processen die je ziet in een land. Hoe is het mogelijk dat je in Mexico wordt rondgeleid in nationale parken waarin de overheid geen enkele macht heeft, maar waarin plaatselijke militie-achtige groepen voor de veiligheid zorgen? Waarom accepteren we het dat er golfbanen worden aangelegd middenin de woestijn rond de Rode Zee, terwijl al het water dat nodig is om het gras groen te houden vanuit elders moet worden overgepompt? Is het niet van een enorme ironie om een uitje naar Safaripark Beekse Bergen af te sluiten met een barbecue? Wie toerist is, stuit automatisch op dit soort sociale en ecologische vragen, maar het interessante is dat we totaal niet geneigd zijn om er te lang bij stil te staan. We houden al helemáál niet op met reizen, terwijl dat een hoop problemen zou oplossen. Dat is wat me interesseert: hoe ik als reiziger medeverantwoordelijk ben voor allerlei sociale en ecologische problemen, maar me toch niet in staat voel om me aan het systeem te onttrekken.

De titel Mijn grote schuld roept bij mij associaties op met het Christendom. Schuld bekennen, dat doen de meeste mensen niet al te graag, behalve dan misschien tegenover die ene God, die ons zou kunnen vergeven. Daarom denk ik in eerste instantie bij de titel: Zo, dat is dapper, hij gaat schuld bekennen en ik vraag me af waarvoor.
Bij nader inzien lijkt ‘Mijn grote schuld’ in je gedichten meermaals een persoon aan te duiden.

‘mijn grote schuld triomfeert op de rondvaartboot
mijn grote schuld laat het breed hangen
over de rand van zijn safaribroek’
De schuld lijkt uit de ik voort te zijn gekomen maar los van hem te staan. Waarom heb je ervoor gekozen je op deze manier van de schuld te distantiëren?
Interessante vraag – al vraag ik me af of ik me echt distantieer van de schuld in deze bundel. Het toeristische schuldgevoel waarover ik net vertelde is continu aanwezig wanneer ik reis. Door er een persoon van te maken, neem ik het schuldgevoel zelfs heel serieus. Er zit een afwisseling van ironie, schuldgevoel en woede in het boek, en dat zijn ook mijn emoties. Maar het is waar: deze bundel leest minder als een persoonlijke bekentenis dan als een verkenning van hoe ik over reizen nadenk. Door de emoties op personage-achtige figuren te projecteren in een quasi-fictionele wereld, heb ik veel meer vrijheid om fenomenen met elkaar in verband te brengen dan wanneer ik persoonlijke reisverslagen geleverd had. Ik kon bijvoorbeeld de fascistische wijk EUR in Rome, de stad Ostia uit de klassieke oudheid, beelden van katholiek martelaarschap, de film Salò van Pasolini en de moord op Pasolini in één reeks met elkaar laten vervloeien.

Ja, er zit veel informatie en emotionele lading onder de huid van je gedichten, dit geeft je lezers bij elke lezing weer wat nieuws te ontdekken.
Een andere terugkerende bewoording is ‘aapjelief’, als een gekoesterde innerlijke aap die het onder de tirannie van de grote schuld vaak zwaar te verduren heeft.
hoe vaak het hoofdbureau ook retoucheert
hoe vaak mijn grote schuld excuses bromt
het zal aapjelief niet baten

hoe vaak men ook zijn ketting poetst
zijn hals blijft dun en kaal

zijn tong zoekt naar de juiste klank’
Opvallend vind ik, dat je hier met ‘klank’ eindigt omdat jouw werk, los van lading en lagen, heel klankrijk is. Wat betekent klank voor jou?
Klank is voor mij heel belangrijk in poëzie. Ik ben dol op klankdichters en op dichters als Astrid Lampe die muzikaal heel sterk zijn. Dat zal ook met mijn liefde voor muziek te maken hebben. Wat mij ook altijd gefascineerd heeft, zijn rituele stukjes taal, die door de herhaling bijna betekenisloos worden, zoals de gebeden in de katholieke kerk. Misschien vormt het klankspel in mijn bundel een manier om te zorgen dat de tekst niet bij een politiek pamflet blijft.

Voor je als dichter debuteerde verscheen in 2015 bij Uitgeverij Literatoren het boek Door Prometheus geboeid. De autonomie en autoriteit van de moderne Nederlandse auteur. In dit beschouwende boek wordt belicht hoe een autonome zelfpresentatie samen kan gaan met een stevige politiek-maatschappelijke positionering.
Zou je kort kunnen samenvatten voor wie het boek niet heeft gelezen, wat bedoeld wordt met een autonome zelfpresentatie?

In alles wat ik schrijf – dus in mijn poëzie, maar ook in mijn wetenschappelijke en essayistische werk – gaat het over hoe je je met geschreven taal kritisch en politiek tot de wereld kunt verhouden. Door Prometheus geboeid, mijn proefschrift, ging over schrijvers in de negentiende en twintigste eeuw die zich autonoom voordeden, die suggereerden dat ze in de wereld geen enkele duidelijke politieke of maatschappelijke positie hadden. Ze wilden niet de politiek in, ze wilden niet als maatschappelijke autoriteit worden erkend. Maar juist door dat niet te doen, eigenden ze zich veel gezag toe: ze kregen een soort buitenstaandersrol toegekend, die ze gebruikten om steeds tegen maatschappelijke verschijnselen tekeer te gaan.

Je constateert in dit boek ook dat wie zich in de literaire wereld het minst aantrekt van maatschappelijke normen, het meest serieus wordt genomen. Hoe verhoud jij je in Mijn grote schuld tot maatschappelijke normen?
Ik ben geen goed voorbeeld van een literaire rebel zoals Multatuli of Carry van Bruggen dat waren – twee van de schrijvers uit mijn boek. Maar ik denk dat het type rebellie dat zij belichaamden ook steeds zeldzamer aan het worden is. Mijn bundel bevat niet voor niets veel beelden van dieren en mensen die zich inhouden, die gedresseerd zijn. Volgens mij heb ik me, net als heel veel andere mensen in Nederland op dit moment, bepaalde maatschappelijke normen helemaal eigen gemaakt. Het is moeilijk om mensen, zéker hoogopgeleiden, nog warm te maken voor protest. Dat vind ik treurig, maar het fascineert me ook.

Kan poëzie zonder engagement volgens jou ook goed zijn?
Natuurlijk! Poëzie hoeft van mij helemaal niets en er zijn zat dichters die heel goed zijn, maar niet politiek. Maar ik merk wel dat ik poëzie die zich politiek bewust toont meestal interessanter vind. Belangrijk is voor mij vooral dat een dichter niet teveel de dichter staat te spelen: ik houd niet van gedichten die druipen van de melancholie, van het liefdesverdriet of van de goedkope ironie. Maar voor de rest kan, ja moet álles in de wereld onderwerp kunnen zijn van een goed gedicht.