Interview met Barney Agerbeek

Indonesië zit in mijn bloedbaan

 

Barney Agerbeek (Surabaya 1948) kwam in 1952 met zijn ouders naar Nederland. Tijdens zijn internationale loopbaan als bankier woonde en werkte hij van 1990 tot en met 1994 in Jakarta. Sindsdien bezoekt hij Indonesië vrijwel jaarlijks. Hij schreef monografieën over Floris Meydam en Nelson Carrilho en leverde bijdragen aan literaire tijdschriften als Nynade , Indische Letteren , Extaze en Avier .
In 2013 debuteerde hij met de verhalenbundel
Schaduw van schijn, in 2014 gevolgd door de roman Njai Inem. De dichtbundel Rood en wit met blauw die in 2015 verscheen werd enthousiast ontvangen. Uitgeverij In de Knipscheer bracht in juli 2017 zijn nieuwste bundel uit: Een warme oostenwind.

Een felicitatie met deze nieuwe bundel is zeker op zijn plaats. Hij ziet er prachtig uit. Niet alleen de buitenkant met de kleur van amber, een woord dat ook in de gedichten soms oplicht; maar bovendien de illustraties die een hechte verbinding vormen met de gedichten waar ze bijstaan.
Kunst en literatuur zijn mijn passies. Al heel lang verzamel ik moderne kunst en bibliofiele werken, waardoor ik veelvuldig in contact kom met rasechte liefhebbers. Dat is een bron van inspiratie. Ook schreef ik enkele boeken over Leerdamse glaskunst en de monografie van de beeldhouwer Nelson Carrilho.

Je hebt een band met Nederland, Indonesië en Polen, het land waar je vrouw vandaan komt. Bij welk aspect ligt vooral je interesse?
Ik heb door het huwelijk met mijn Poolse vrouw de angstige en armoedige jaren 70 in Polen meegemaakt, gevolgd door de markante omwenteling vanwege Solidariteit in 1990. Die euforie is heden ten dage uitgemond in xenofobie / sluiting van de grenzen voor vluchtelingen. En de machtige, katholieke kerk zwijgt in alle talen. Dat is ‘de witte wereld en het scheve kruis’ uit het gedicht Zwarte Madonna.
Indonesië zit in mijn bloedbaan, omdat ik er geboren ben en lang heb gewoond en gewerkt. Ik voel me er thuis zonder Indonesiër te zijn, omdat een dergelijk verlangen onhaalbaar en misplaatst zou zijn. Mijn voorgeschiedenis interesseert me, maar het zijn vooral de actuele ontwikkelingen die ik op de voet volg. Het gaat er heftiger aan toe dan in Nederland, en omdat ik de taal spreek en er familie en vrienden heb (net als in Polen), leer ik de maatschappij van binnenuit kennen. Ik beschouw het als een ongekende rijkdom om in één leven drie culturen te mogen ervaren. Een voorbeeld uit de keuken: ik hou van erwtensoep met rijst en sambal, gelardeerd met een strooisel van abon sapi (gedroogd draadjes-rundvlees). Probeer het eens, goed heet opdienen.

Gedichten als ‘Vingerafdruk’ en ‘De dubbele oversteek’ brengen de lezer dicht bij de dagelijkse realiteit van vluchtelingen. Zit er een gevoel van verwantschap in en vind je engagement van belang in de poëzie?
In tegenstelling tot de opvang van de naoorlogse groep Indische Nederlanders krijgen vluchtelingen tegenwoordig alle steun en begeleiding. Ik ben vrijwilliger bij Vluchtelingenwerk. Eerst als taal- en jobcoach en momenteel als maatschappelijk begeleider van een jong Syrisch echtpaar met baby.
Engagement zie ik als een opdracht.
Vingerafdruk gaat over het begrip ‘verraden werkelijkheid’ in de semiotiek, waarmee wordt bedoeld dat bepaalde tekens niet te faken zijn, zoals blozen. De heftige reacties op de foto’s van Aylan Kurdi en Ai Weiwei geven eveneens de werkelijkheid weer, het existentiële, en laten net als een vingerafdruk, zien wie je bent.

Behalve de warme oostenwind voel ik hier en daar ook een fris briesje, een lichte ironie. Bijvoorbeeld het korte gedichtje ‘Monoloog’, een situatie die iedereen glimlachend herkent:

monoloog in zicht
over ik en ik en ik
meteen wegwezen

Als ik kan kiezen dan ga ik voor ironie en de lichtheid van het bestaan. Je wordt al genoeg omringd door gewichtigdoenerij en egotripperij. Trump is er een afschrikwekkend voorbeeld van, nota bene gekozen door miljoenen mensen.
Ik koester het volgende, korte gedicht van Duco van Weerlee:

Ego

Zie mij eens spatten
Een regendruppel
In volle zee

Van iemand die zo kan relativeren, word ik helemaal blij.

 Je draagt gedichten op aan Vaandrager, Hanlo en Rogi Wieg. Wat betekenen deze dichters voor jou?
Oei, het is moeilijk om die vraag in kort bestek te beantwoorden, omdat de dichters onderling sterk verschillen. Wat me aanspreekt en wellicht is dat wel de gezamenlijke noemer, is dat ze beschikken over een aangeboren taalvirtuositeit en zonder koketterie heldere poëzie schrijven. Arjen Duinker heeft ook dat losse en pure taalgevoel, waar hij jaloersmakend mee kan spelen. Lees zijn laatste (overigens niet zijn beste) bundel Catalogus en je begrijpt wat ik bedoel.

In het openingsgedicht ‘Verticaal -> horizontaal’ beschrijf je de overgang van een leven als bankier naar het leven als schrijver. Waarschijnlijk valt de vergelijking niet helemaal zwart-wit uit?
Het zijn twee levensfasen die ik voor geen goud zou willen missen. Dus ook mijn bankierstijd niet. Het bracht me naar vele landen en verschafte me een blik in de keuken van de meest uiteenlopende bedrijven. Het bankvak heeft tegenwoordig een negatieve lading en dat is terecht. Je hebt veel macht en die kun je negatief aanwenden, maar natuurlijk ook positief. Dat is een persoonlijke keuze.

In het gedicht ‘Vertrouwde woorden’ staat de zin: ‘We praten zonder de woorden te wegen’. Dat lijkt een benijdenswaardige situatie, maar niet direct van toepassing op schrijven, en dichten in het bijzonder. Hoe ga jij te werk bij het schrijven en is er dan veel verschil tussen proza en poëzie?
De regel ‘We praten zonder de woorden te wegen’ gaat over het vrijuit kunnen praten met elkaar, dus niet over poëzie, waar elk woord telt.
Proza schrijven betekent voor mij hard werken en construeren, maar dan komt er ook iets. Poëzie moet me overkomen. Dat kan ik niet afdwingen. Soms raak ik in een flow en ontstaat er tot mijn verbazing het ene na het andere gedicht. Helaas komt het vaker voor dat er maandenlang geen regel op papier komt. Ik heb me daar inmiddels bij neergelegd.

Je werkt momenteel aan een biografie over een Indonesische kunstenares. Wil je daar al iets over kwijt?
Ik werk momenteel aan de biografie van Kartika Affandi. Zij is de dochter van Affandi (1907-1990), een Indonesische schilder die internationale faam geniet, maar in Nederland nooit aandacht heeft gekregen. Dat valt bijvoorbeeld het Van Gogh Museum te verwijten.
Ook Kartika geniet internationale bekendheid en intrigeert me vooral door haar strijdbaarheid en vele liefdadigheidsactiviteiten. Ze besloot als moeder van acht kinderen tot een vechtscheiding en is op 82-jarige leeftijd nog altijd een standvastige feministe in het grootste moslimland ter wereld.

Als laatste de vraag wat je zo boeide aan de versregels die je als eerste motto gebruikte. Van Adam Zagajewski: ‘Try to praise the mutilated world’.
Adam Zagajewski hoort tot mijn top 5 van dichters. De reeks beelden van de ‘verminkte wereld, het veertje en het zachte licht’ ontroeren me. Nabokov schudt de fraaiste taalvondsten uit zijn mouw, maar de compassie die Zagajewski genereert, ontstijgt het aardse.