Recensie van Mijn grote schuld - Laurens Ham

Poetica, non Polet

Laurens Ham
Mijn grote schuld
Uitgever: Wereldbibliotheek
2017
ISBN 9789028427129
€ 19,99
63 blz.

Laat ik meteen maar met de deur in huis vallen. Het grootste deel van Mijn grote schuld, de debuutbundel van Laurens Ham, doet me weinig en ik kan er ook weinig mee. Niet als poëzie, niet als klank, niet als taal.
Vele pagina’s zijn gevuld met linten van woorden en zinnen, waarvan onduidelijk is of ze deel uitmaken van een groter geheel of dat ze als zelfstandig gedicht moeten worden beschouwd.
Aan de hand van de gedichten/fragmenten op pagina 48, 49 en 50 zal ik proberen om, samen met de lezer, dieper in de bundel door te dringen.

[p. 48]
dat kind die mars door de strot
bloed- en bodemloos
terwijl mijn scheur in de lucht wordt dichtgenaaid

de pers internationaal
breeduit op schoot in slaap
gromt eenmaal zijn tanden bloot
sluimert alweer

ingesnoerd in het ijle hang ik
verzekerd als ik ben
van een strand
van alle smetten vrij

ik avonturier die achter gesloten oogleden
de bergwand ziet
en nadert

[p. 49]
ik zondigde al
toen ik het schoongeveegde folderland
in  mijn voorruit realiseerde
brandende metablik
alle vrijheid verzengd

kan ik die fjorden vrijkopen
dan doe ik dat verdomme
helle zomerdag

hoe immoreel zou het zijn
die potentie onverwezenlijkt te laten

mijn zonde bestaat in het erkennen
van schuld
waar die zo leeg is
als een slappe portemonnee

[p. 50]
als we die trein nu eens dwars
door hun terrein snijden
verstoven zwerm
door een tyfusmooi land

als we de robot nu eens gevoelig
maken voor gelukszoekers
en hem vragen hen bij twijfel
naar god te helpen

als we het koele razen
van het spoor nu eens ombuigen
tot de ruimte voor verstekelingen
gebald raakt als een slakkenhuis

bij het ontrollen van het spandoek
geen ontsnappen meer aan

fuck de politiek
laten we het gezellig houden

Deze reeks ‘Tuig, of de autonome mensmachine’ begint op p. 46 en aan de hand van een aantal signaalwoorden als ‘wasstraat’, ‘velgen’, ‘bello’, ‘maxicosi’ (p. 46), ‘wandelschoen’, ‘terriër’, ‘wurglijn’ (p. 47), ‘kind’ (p. 48), ‘folder […]’ en ‘voorruit’ (p. 49) meen je op het anekdotisch niveau te lezen over iemand die zijn auto wast en met kind en hond in het bos gaat wandelen. Maar op. p. 50 gaat het opeens over ‘trein’ en ‘spoor’ en besluit het geheel met ‘fuck de politiek / laten we het gezellig houden’.
Hier wordt een procedé zichtbaar: de verdubbeling trein/terrein komt voort uit klank, de verdubbeling slakkenhuis/ontrollen […] spandoek komt voort uit beeld. Dit soort verdubbelingen en verspringingen komt veel vaker voor in de bundel. Zo vaak zelfs, dat ik denk dat ze de bouwstenen vormen van de gedichten. Op deze manier groeit de tekst door middel van klank, beeld of betekenis steeds verder aan tot een reeks of een lint van teksten, waarbij de reeks zelf uitsluitend ontstaat bij gratie van de beginwoorden die de associatie op gang brengen. De reeksen eindigen niet echt, maar blijken te zijn afgelopen wanneer je opeens terechtkomt op een witte pagina. Ik kan er nog altijd de noodzakelijkheid niet van inzien.

De illustratie op de voorzijde toont een persoon in een poollandschap naast een leeglopende zwarte luchtballen en een op zijn kant liggende bruine gondel, waarin nog licht schijnt. Op de achterzijde leest men onder meer: ‘… hoe we door te reizen ingrijpen in de samenleving en de natuur.’
Mogelijk hebben deze zaken met elkaar te maken.
De constatering op de achterzijde is geen breinbreker. De thermometer toont slechts de temperatuur van zijn contactvlak met het ijsblok en beïnvloedt die tegelijkertijd. Zelfs de herinnering verandert, wanneer we haar in de geest aanraken.

Ham opent de bundel met twee motto’s; één uit Tony Wheeler’s ‘Lonely Planet philosophy’ en het ander uit Hendrik Tollens’ ‘De overwintering der Hollanders op Nova Zembla’. In de ondermarge van de reeks ‘Wee’ worden delen uit een zeventiende-eeuwse brief afgedrukt, afkomstig van www.gekaaptebrieven.nl . Welk verband moet er blijken uit het opvoeren van Willem Barentsz als sprekend personage, de verwijzing ‘van alle smetten vrij’ naar Tollens (‘Wien Neêrlandsch bloed…’) en de toeristen in de reeks ‘Utopië’?
Beoogt de tekst op de achterzijde, behalve een constatering, een duiding te zijn van de inhoud van de bundel? Ook na de vierde herlezing heb ik die kluis niet kunnen kraken.

Mij bekruipt het gevoel dat Ham – indachtig Marsman’s ‘baldadig aforisme’ van graan des levens dat wordt omgestookt tot jenever der poëzie – wat te diep in het glaasje Polet heeft gekeken. Hij tapt uit een vaatje dat niet door hemzelf is aangeslagen, maar dat al door diverse dichters, sommige van naam en faam, gevuld is. Hierbij kan het zijn dat zich in de aard van de beelden en associaties de persoonlijkheid van de dichter laat benaderen, in de gedichten als zodanig lukt mij dat niet. In plaats van een poetica van de dichter zelf zie ik voornamelijk schatplichtigheid aan voorgangers. Dat is jammer, want op een enkele plaats meen ik de stem van de dichter wel degelijk te horen. En dat smaakt wel naar meer:

[…]
iedereen vormt zich een luchtschip
om zijn naasten te vervoeren

[p. 61]

****
Laurens Ham (1985) is essayist en docent-onderzoeker aan de Universiteit Utrecht. Hij publiceerde eerder poëzie in Terras en  DWB. Mijn grote schuld is zijn debuut als dichter. Eerder verschenen van hem de studie Door Prometheus geboeid en het nawoord bij Sybren Polet’s laatste essaybundel, De noodzaak van het overbodige. Hij won in 2011 de ABG/VN Essayprijs voor het essay ‘Multatuli, een zelfcreatie’.