Gedichten

door Anneke Wasscher (1946)

onze herfsttuin

er spookt een herfstwind in de kruin
van onze boom, daar zucht het blad

de schutting is wat scheefgezakt door
klimop die vaak net als ik veel ruimte
nam en verder ging, te ver misschien
toch heb jij nooit een tak gesnoeid

er is niets jong gebleven op ons erf
de verf laat los en bladdert af en ik
ben niet in staat iets vast te houden

jouw armen blijven naar me reiken

bevolkingsonderzoek

de bus is dichtbevolkt met vrouwen uit het dorp
hun leeftijd is al aan de meldingsplicht gewend

ze zoeken in de zakken van hun regenjas weer
naar die ene gladde pas die geldt als plaatsbewijs

de wachtstand is gewoon net als hun prietpraat
die de kou van dagelijkse zorg op afstand houdt

ze zitten naast elkaar als zusters in hun bange dagen
de handen vast aan tassen met een vage kleur

een enkeling wordt door de folderglans verleid
ze weet niet dat het om een dreigbrief gaat

het rode lampje speelt het spel van aan en uit en
achter elke witte deur wordt uit- en aangekleed

de borsten laten zelden meer hun zachtheid zien
ze zoeken de geborgenheid in vest of nette bloes

het sprak vanzelf

geluid was altijd zo gewoon
een krant die omgeslagen werd
de achterdeur die openging

hoe zij zich telkens weer vergist
en denkt dat ze zijn voetstap hoort
de klemtoon van aanwezigheid

soms zet ze toch twee borden neer
of legt zijn leesbril naast een boek
het sprak vanzelf dat hij er was