Het is waarschijnlijk de aard van het beestje

 

Anneke Wasscher (1946) debuteert in oktober met de bundel Atlas van de tijd bij uitgeverij Kontrast.
Ze gaf Meander al twee mooie interviews de afgelopen jaren. Hoe denkt ze nu over haar eerdere uitspraken en hoe gaat het met haar?

Ideaal zou ik het vinden als een uitgever mijn beste gedichten aan de man zou brengen. Als dat er niet van komt, zal ik waarschijnlijk eens in eigen beheer een bundel uitgeven die ik kan weggeven’ zei je in een vorig interview in Meander. Hoe kijk je nu aan tegen deze uitspraak uit 2015?
Eigenlijk sta ik nog wel achter deze uitspraak. In de loop van de tijd heb ik ontdekt dat poëziebundels over het algemeen niet goed verkopen. Voor uitgeverijen dus niet echt aantrekkelijk. Ik heb het geluk gehad dat Jos van Hest, dichter, schrijver, docent en tevens redacteur van uitgeverij Kontrast, mijn werk kende en mij gevraagd heeft een bundel uit te geven. Als dit niet op mijn pad gekomen was, dan had ik misschien eerst nog mijn manuscript naar een paar uitgevers gestuurd. Wanneer dat niet tot succes had geleid, was plan B aan de orde gekomen: in eigen beheer op een goedkope manier een bundel uitgeven. Ik heb in mijn kennissenkring van dichters diverse positieve resultaten gezien. Bij de uitgever neem ik nu een flink aantal bundels af die ik zelf verkopen moet. Wel tegen het door de uitgever vastgesteld bedrag natuurlijk. Weggeven mag ook…. In bepaalde situaties zal ik dat zeker doen. Het is echter te kostbaar om ze allemaal cadeau te geven!

Wanneer wordt je bundel gepresenteerd?
De bundel verschijnt op 15 oktober in Leek. De presentatie is onderdeel van een poëziemiddag in de Borg Nienoord te Leek. Dit alles in het kader van ‘Kunst op Nienoord’.

Hoe is dit debuut ontstaan en heb je lang over het verzamelen en selecteren van de gedichten gedaan?
Het was niet moeilijk uit een paar honderd gedichten van een tiental jaren er ruim veertig te sorteren voor de bundel. Mijn uitgangspunt was natuurlijk dat deze gedichten ‘goed’ moesten zijn. Ik koos daarom in eerste instantie mijn winnende en genomineerde gedichten die doorgaans ook geselecteerd waren voor verzamelbundels of literaire tijdschriften. Mijn gedichten staan in meer dan zestig verzamelbundels. Vaak zijn dat bundels die worden uitgegeven als gelegenheidsbundel naar aanleiding van een gedichtenwedstrijd. Er is nooit eerder een dichtbundel met alleen mijn eigen gedichten verschenen.
Daarnaast voegde ik nog een aantal gedichten toe waarmee ik bij mijn optredens succes had. Dus de keuze was duidelijk afhankelijk van de smaak van jury’s en het publiek. Tenslotte moet het de lezer bevallen. Overigens ben ik zelf tevreden met deze selectie.

Is het een bundel met een bepaald thema?
Het thema ‘tijd’ heb ik als uitgangspunt gekozen. Dat is een bron van inspiratie. De dichter Rutger Kopland heeft ooit een prachtig gedicht geschreven met als titel ‘tijd’. Een paar zinnen zijn mij bij gebleven:

niet de tijd gaat voorbij, maar jij, en ik
buiten onze gedachten is geen tijd

Ik had behoefte mijn gedachten een tastbare plek te geven. De noodzaak voor mezelf iets vast te houden en te delen. Misschien ook omdat ik er regelmatig bij stil sta dat ik straks iemand ben die ‘voorbij’ zal zijn. In Atlas van de tijd zijn gedachten, gevoelens en observaties in kaart gebracht.

Hoe gaat de bundel eruit zien qua opbouw?
De bundel bestaat uit vijf series gedichten. De eerste gaat over het thema ‘relaties’, vanuit diverse invalshoeken benaderd. Veranderingen in de loop van de tijd. Onomkeerbaarheid in een proces: ‘herfsttuin‘. Eindigheid: ‘het sprak vanzelf ‘. De tweede serie schetst zeven portretten van mensen in bepaalde fasen of omstandigheden van hun leven. Totaal verschillende personen zoals een buitenstaander, een oorlogsslachtoffer, het meisje dat uitgehuwelijkt is en terug moet naar het land van herkomst. In de derde verzameling probeer ik grip te krijgen op het fenomeen tijd zoals in: ‘gesprek met de nacht’. De serie met de titel: ‘schuilen in de luwte van het zwijgen’ heeft met name betrekking op de ouder wordende mens: ‘bevolkingsonderzoek’ en ‘ de tijd kwijt’. Zelf vind ik dat deel van de bundel het best. In de laatste reeks beschrijf ik hoe een bepaalde tijd invloed had/heeft op onze cultuur. Bijvoorbeeld hoe in de periode van de Tweede Wereldoorlog de Davidster tot een bijzonder symbool verwerd: gedicht ‘symbool’. Natuurlijk beschrijf ik ook de positieve nalatenschap: ‘ juttersgeluk’ dat een ode is aan dichter J.J. Slauerhoff.

Hoe komt het dat je zulke melancholische gedichten schrijft? Voel je die melancholie zelf?
Het feit dat ik zulke melancholieke gedichten schrijf, heeft te maken met mijn aard. Een onderstroom in mezelf is ‘weemoed’, overigens een antiek woord waar ik van hou. Het is in mijn geval niet leeftijdgebonden. In mijn jeugd was ik al ernstig. Als ik terugdenk aan de opstellen die ik vroeger als kind schreef, was de rode draad vaak de tragiek. Op de middelbare school waren het vooral boeken als Eline Vere (Louis Couperus) en Van de koele meren des doods (Frederik van Eeden) die me aanspraken. Het is waarschijnlijk de aard van het beestje, waardoor ik me focus op dingen als tekorten, aftakeling, verlies etc. Zaken die in elk mensenleven voorkomen. Ik sta er alleen regelmatig bij stil en vergroot ze. Tegelijkertijd is dat natuurlijk ook een valkuil voor me bij het schrijven van gedichten. Lezers zitten misschien niet te wachten op dergelijke poëzie. Alhoewel ik bij een optreden vaak bij een treurig gedicht herkenning ontmoet. Mensen reageren dan na afloop heel positief. Ik zou mijn bundel Atlas van de tijd realistisch willen noemen. In de gedichten bestaat er altijd een verbinding met mijn eigen leven. De ervaringen en verhalen van mensen die mij na staan. Ze hebben indruk gemaakt en ik geef het gevoel woorden.

In een mail schreef je dat je twijfelde over je dichterschap. Je hebt zo veel prijzen gewonnen dat je daar toch niet aan zou hoeven twijfelen?
Inderdaad heb ik veel prijzen behaald de afgelopen jaren. Dit jaar won ik nog een prijs. Toch is de twijfel gaan knagen. Het is met name het laatste jaar dat ik me afvraag of ik écht goed dichten kan. Of ik eigenlijk wel voldoe aan een bepaald niveau. Waarschijnlijk heeft dit momenteel met twee dingen te maken. In de eerste plaats had ik een heel bekwame redacteur, die al mijn gekozen gedichten onder zijn vergrootglas legde. Hij stak daar veel tijd in. Het resultaat was dat mij werd geadviseerd woorden en soms hele strofen te schrappen. Ik moet toegeven dat de ‘producten’ daar inderdaad sterker van werden. Natuurlijk ben ik er blij mee en dus ook dankbaar voor, maar tegelijkertijd heb ik het bij sommige teksten toch ervaren als een verlies. In dezelfde periode maakte ik nog deel uit van de dichtgroep WP99. Ik vond het een eer toen ik daar een paar jaar geleden voor gevraagd werd. Een van mijn motieven om lid te worden was: ‘beter leren dichten’. Een ervaren docent/dichter gaf ons maandelijks een opdracht. De resultaten werden uiteraard in de groep besproken. In de op- en aanmerkingen hoorde ik dezelfde kritiek als die van mijn redacteur. Dubbelop dus. Kennelijk was ik niet goed in staat om die kritiek een positieve draai te geven. Rationeel gezien wel, maar ik voelde het als ‘mijn poëzie is toch niet goed genoeg’. Als een gedicht een keer als ‘goed’ beoordeeld werd, telde het haast niet. Een soort alles of niets gevoel dus. Duidelijk een leerpunt voor mij om hier ooit in een soortgelijke situatie anders mee om te gaan. Het gekke is dat in die periode ook mijn inspiratie voor het schrijven van nieuwe gedichten verdween. Ik begon eisen aan mezelf te stellen die ik niet waar kon maken. Voelde het haast als een noodzaak om mijn stijl te veranderen. Vergeleek mezelf met moderne dichters en kon me daar niet mee meten. Toch blijft poëzie een essentieel onderdeel van mijn leven. Tijdelijk lees ik veel gedichten van andere dichters uit diverse perioden en dat is ook heel leerzaam in een pauze.