Recensie van Dat het blijft duren - Jan Geerts

Een gedicht is een huis om in te wonen

Jan Geerts
Dat het blijft duren
Uitgever: Uitgeverij P
2017
ISBN 9789492339300
€ 17,50
80 blz.

De titel van Jan Geerts’ nieuwe bundel drukt tegelijkertijd verlangen en angst uit. Wat blijft duren, de vreugde, de pijn, het spreken of het zwijgen? De dichter weet dat wij sterfelijk zijn: ‘niets blijft duren, hoe jong we ook zijn / de toekomst is al oud en spelt de les / van onze namen, gehoorzaam luisteren wij’ (50). Hij formuleert dat bewustzijn nog scherper: ‘straks is de wereld dood, gaan wij ook / en blijft er alleen een huis van ons over’ (53). En het wordt helemaal pijnlijk wanneer de toekomst als een ‘leeg huis’ wordt voorgesteld, ‘het is / de spijt dat het vroeg of laat ophoudt’ (75).

Geerts lijkt er niettemin van overtuigd te zijn dat de eindigheid met onveranderlijke en eeuwige patronen gepaard gaat. Zijn vaststelling ‘de wind neemt niets mee, laat niets achter’ (44), roept bij mij herinneringen op aan ‘The answer is blowing in the wind.’ Er worden veel vragen gesteld en opnieuw gesteld, en nooit is het antwoord meer dan een voorlopig inzicht. Nooit is dat – het leven? – meer dan de nog onvoltooide afwezigheid: ‘we kunnen het ons niet inbeelden / dat we niet bestaan, ook al hangt onze afwezigheid / al in de lucht als het weer dat nooit overgaat’ (20). Afwezigheid en aanwezigheid zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden: wie hier aanwezig is, is aan gindse zijde afwezig. Die relatie komt, samen met nevenrelaties, uitgebreid aan bod in deze bundel die uit acht reeksen gedichten bestaat. De aanwezigheid komt vooral tot uitdrukking in het spreken en het zien. Stilte betekent niet per definitie afwezigheid, maar in het werk van Geerts alleszins een minder opvallende aanwezigheid.

Geerts giet zijn gedachten vooral in twee-, drie en vierregelige strofen, maakt gebruik van assonantie, binnenrijmen, alliteratie en soms van eindrijm en anaforia. De gedichten drukken ook vaak synesthesie uit. Vooral zijn woordkeuze valt op. De dominante werkwoorden zijn bloeden, ademen en regenen. Bij de substantieven vallen vooral ogen, zee en stenen op. De betekenis van bloeden en ademen valt echter zelden samen met de definitie in een verklarend woordenboek. Zoals een schilder de kleur van een aangezicht, een dier of een landschap bepaalt – ik denk aan de blauwe en de roze periode van Picasso, ‘Gazellen’ (1913) en ‘Blauw paard’ (1911) van Franz Marc, een ‘Vrouwenkop’ (1911) van Alexej von Jawlensky, ‘Landschap te Blaricum’ (1919) van Frits van den Berghe, enz. –, geeft een dichter op een voor hem (haar) specifieke wijze inhoud aan elk woord. In deze zintuiglijk geladen bundel wordt niet minder dan negen keer het werkwoord bloeden gebruikt. Adem en ademen telde ik negentien keer, en het werkwoord regenen acht maal. Oog en de meervoudsvorm ogen vallen drieëntwintig maal op. Bij het lezen van de gedichten moet de lezer zelf achterhalen wat de dominante en andere werkwoorden kunnen betekenen, en dat maakt de lectuur boeiend. De gedichten van Geerts zijn opvallend lichamelijk verwoord, en de woorden zijn niet minder dan het lichaam zelf essentieel voor het zijn. De woorden zijn in ontologische zin zowel essentieel als existentieel: ‘we hebben woorden nodig om te kunnen wonen’ (48), en die woorden worden uitgesproken en beleefd vanuit een bewustzijn dat organisch met de wereld is verbonden.

In de eerste cyclus, ‘Wakker’, beschrijft de dichter vormen van samenzijn waarin een naamloze ‘je’ en ‘ze’ vragen stelt, ‘wie ben je, vraagt ze’ (6), ‘voel jij het ook, vraag je, hoe je nog voor je jong / bent geweest al oud wordt, je stem doet pijn’ (7). Nog voor de naamloze ‘je’ vragen stelt, kijkt de dichter in haar ogen en schrijft: ‘ik wou dat dit kon blijven duren, maar je blik / is dun geworden, je hand bloedt naar me toe’ (7). In de laatste versregel gebruikt de dichter het vreemde werkwoord bloeden om een positieve beweging uit te drukken. De bloedende hand is immers een uitgestoken of wellicht zelfs een strelende hand, een teken van liefde, solidariteit en vertrouwen in de Andere. Precies daarom wenst het lyrisch subject dat het korte morgenritueel ‘kon blijven duren.’

Bloeden is echter niet altijd positief geladen: ‘het zijn wij die liggen te bloeden / van de jaren die in ons zijn gekropen’ (8). Bloeden refereert hier aan het ouder  en zwakker worden, aan de existentiële dimensie van het leven, zoals die zo treffend wordt uitgedrukt in de volgende versregels: ‘je hart gonst, je adem broedt / de tijd is een leeg ei’ (11). De tijd krijgt altijd een individuele invulling, en die kan heel ‘eenvoudig’ zijn, zoals in het volgende gedicht:

doe het licht maar uit, zeg je
en het is nacht, ook al zullen
de dagen nooit ophouden

laten we het uitpraten, zeg je
en het is stil, stiller dan we de wereld
voor mogelijk hielden en wij

verder weg dan ooit, nooit
liegt het donker, iets bestaat maar
als je het vindt, dus vind mij

je moet maar kijken en ik bloed al
je moet maar luisteren en het begint
te regenen tot ook de regen stopt

je hand is al voorbij nog voor ze me aanraakt
we zijn zoekgeraakt, vergeten
hoe eenvoudig twee mensen kunnen zijn

(p. 13)

De tijd vult echter ook zelf het zijn in, en voor de tijd is iedereen gelijk: ‘… terwijl de kou blind langs de gevels / veegt en de tijd geen huis overslaat’ (16). Niemand ontsnapt aan de tijd. Soms krijgen de woorden als het ware een messianistische ondertoon: ‘open en helder als het helderste water / zal mijn taal zijn, mensen zullen ontwaken / uit de oude gevels en drinken van mijn mond / hun ogen zullen genezen, zij zullen zien / als voor de eerste keer, zij zullen zingen’ (17). Dit gedicht suggereert dat ook de gewone sterveling een resurrectie zal beleven, en na het zingen zal het tijd zijn om ‘naar huis te gaan’ De dichter zal ‘naar huis gaan / naar niemand minder / naar niemand meer’ (17). Deze profetische versregels doen me denken aan een sonnet van Kloos (1859-1938) dat als volgt wordt aangevat: ‘Ik ben een God in ‘t diepst van mijn gedachten, / En zit in ‘t binnenst van mijn ziel ten troon’ (Verzen, 1894). Maar Geerts is bescheidener, hij beseft: ‘mijn adem likte langs de vensters, er was niets / dat mij genas, ik sloeg mijn ogen open en zag / ik kon niet verdragen hoe leeg alles geworden was // … ik bedelde / onder de verwelkte bomen en wachtte / op iemand die iets om mijn leven zou geven’ (21). Het lyrisch subject heeft tijdens een zoektocht naar genezing alleen leegte aangetroffen, was zelf buitenstaander. De dichter beseft dat hij in een ‘te kleine huid’ woont (26) om zoals Marsman (1899 – 1940) ‘groots en meeslepend [te willen] leven!’ (‘De grijsaard en de jongeling’).

Jan Geerts heeft een heel eigen woordenschat, legt verrassende verbanden – zoals in ‘de gordijnen snijden een kier uit de zon’ (35) – en kent de canon van de Nederlandstalige poëzie. Soms wekken zijn gedichten de indruk dat hij veelvuldig moderne schilderijen of filmbeelden heeft bekeken en dat zijn beelden het gevolg zijn van een zeer intense kijkervaring. Dat komt zeer goed tot uiting in het gedicht ‘Dakloos’. Het openingskwatrijn kan zo geschilderd of verfilmd worden: ‘ze wil dat het regent, ze wil kunnen schuilen / onder de bomen en luisteren naar de hemel / die een dak timmert boven haar gedachten / waar geen ziekte voor bestaat, ze bidt’ (39). Het is een surrealistisch beeld. Nu en dan is ook de nalatenschap van de surrealisten niet ver af. Geerts heeft erop gewezen dat we woorden nodig hebben om in te wonen, en misschien kunnen we een uitspraak van de Zwitsers-Franse architect Le Corbusier (1887-1965) – ‘une maison est une machine à habiter’– vervangen door un poème est une maison à habiter. Een gedicht is een huis om in te wonen, maar men moet het wel leren ‘lezen’ om het te kunnen bewonen.