Recensie van Een spiegel op uitkijk - Jo Gisekin

Een toevluchtsoord bereid

Jo Gisekin
Een spiegel op uitkijk
Uitgever: Poëziecentrum
2017
ISBN 9789056552275
€ 21,99
48 blz.

De nieuwste bundel van Jo Gisekin heeft een intrigerende titel: Een spiegel op uitkijk, een titel die naar de eerste reeks gedichten verwijst. De tweede reeks werd in 1993 geschreven ter gelegenheid van de inhuldiging van de Raveelkapel in Machelen. In deze bundel treedt Gisekin in gesprek met het werk van Roger Raveel, een schilder die al vaker dichters heeft geprikkeld – ik denk aan Hugo Claus, Roland Jooris, Rutger Kopland en Bert Kooijman. In een aantal kunstwerken heeft Raveel spiegels geïntegreerd, maar of het die spiegels zijn die uitkijken, is niet duidelijk. Vroeger zag men bij vensterramen wel eens een spiegel waarmee van in de salon de straat kon worden bespied. Spiegels zijn passief en het is de gebruiker van een spiegel die uitkijkt. Ik vermoed dat Jo Gisekin naar de uitkijkende Raveel of naar zichzelf verwijst, waarbij haar gedichten de figuratieve wereld van Raveel (re)construeren, niet weerspiegelen. Zoals Rutger Kopland is ook Jo Gisekin vertrouwd met de oude regel ut pictura poesis.

Het werk van Raveel staat in felle kleuren op mijn netvlies gebrand en ik associeer zijn beelden vooral met een vereenvoudigde ‘weergave’ van de werkelijkheid, een techniek die bijna volledig congruent is met de manier waarop Roland Jooris, een van Raveels gesprekspartners, de omgeving heeft vereenvoudigd tot landschappen die uit enkele korte versregels bestaan. Op dezelfde manier is een aantal landschappen van Raveel weinig meer dan enkele contrasterende kleurenvlekken. Maar wat valt op in de symbiotische relatie van Jo Gisekins gedichten met Raveels vormentaal, en welke vorm neemt het samenleven aan? Hebben zowel de gast als de gastheer voordeel bij die relatie, of is ze vooral gunstig voor een van de symbionten? Of is er sprake van een wisselwerking die vooral de lezer ten goede komt? De bundel bevat naast de gedichten ook een aantal reproducties van Raveels schilderijen en grafiek.

Alle gedichten van de eerste cyclus hebben een titel en de versregels knopen niet alleen aan bij de afbeeldingen, ze verwijzen ook naar de grenzen van de visuele verbeelding: ‘dit kader’ (7), ‘kleurrijk blijft bij ingelijst’ (9), ‘wat ontroert wordt grijs omlijnd’ (11), ‘Met goud omlijst: // een man op de fiets in tegenlicht’ (14). De gedichten herinneren ook nog op een andere manier aan de prikkels die de woorden uit hun sluimer hebben gewekt: ‘uit het landschap gelicht geschetst op / duurzaam papier’ (14), ‘met benen dik / in de verf’ (19). De gedichten zijn zeer descriptief en peilen tegelijkertijd naar wat kleur noch woord voor eens en altijd kunnen (be)vatten. Kopland schreef vijf gedichten bij werk van Raveel – Zoals zijn beelden, 2013; Verzameld werk, 2013, 443 – 449 – waarin hij de relatie ut pictura poesis als volgt beschreef: ‘Zoals zijn beelden ergens beginnen / iets te laten zien – het kan alles zijn overal // zo wil ik dat ook gedichten beginnen ergens / iets te beschrijven’ (445). In het vierde gedicht werd dat verlangen aangescherpt: ‘Zoals zijn beelden ergens ophouden / de dingen te laten zien // zo moeten gedichten ergens ophouden / iets te beschrijven // de dingen ergens laten eindigen / voorbij de plek waar ze geschreven zijn’ (448). En precies dat gebeurt in de beschrijvende gedichten in de eerste reeks.

Het kader wordt zorgvuldig gerespecteerd en tegelijkertijd treden de woorden buiten het visuele veld. Zo eindigt ‘Dorpsmeisje in veranda’ niet met de laatste beschrijvende versregel, maar met de wens ‘Iemand moet deze treurnis aan splinters slaan / iemand die de dichter twee handen reikt’ (7). Jo Gisekins gedicht eindigt voorbij de plek waarbij ze geschreven zijn. Nu en dan valt enige assonantie op, maar doorgaans zijn de gedichten zeer sober, en vallen vooral versregels op als ‘Ze strijkt de dagelijksheid uit elke plooi’ (11) omdat ze aan het picturale werk een toegevoegde waarde verlenen. ‘De strijkster’ is geheel en al descriptief, maar in het gedicht wordt strijken een ritueel en het is de kleur van een mouw (blauw) die het ‘beloop van dit ritueel’ dirigeert ‘zoals liefde haar eigen meanders uitzet’ (11). Er wordt ook aan de muziek van Bach gerefereerd: ‘Dit is tijdloos versmelten als een cantate van Bach doodgewoon / tot aan de rand van de dag. Verdrinken met de hartslag op het / profiel en niet begerig naar meer’ (13). In deze versregels weerklinkt meermaals de korte weemoedige klank van ach. In ‘Op terugweg’, geschreven bij een man op een fiets, verwoordt de dichteres het inzicht dat het leven voorwaarts wordt geleefd en rugwaarts wordt begrepen. Jo Gisekin schrijft: ‘Zie hoe hij zichzelf inhaalt’ (14), en met die woorden vat ze de hele existentiële ervaring samen. Ook in ‘Vrouw met opsmukspiegeltje’ (19) wordt die ervaring langs een omweg verwoord. Nadat de vrouw haar wenkbrauwbogen heeft bijgewerkt en haar vingers in smeersel van sandelhout heeft gedopt, wordt haar zelfbeeld in de vrije indirecte rede verwoord: ‘Niet meer gerimpeld dan gisteren’ (19).

De sobere gedichten van de eerste reeks spreken me bijzonder aan omdat ze bijna achteloos de relatie tussen woord en beeld uitdrukken. Maar het is vooral de tweede reeks gedichten die een diepe indruk heeft nagelaten, hoewel ik helemaal niet religieus ben ingesteld. De gedichten zijn genummerd en ik citeer het tweede gedicht in extenso:

De Heer van zeven dagen
laat vruchtbaar zijn
geeft vleugelslag aan valk en
gier en haastig komen katten
in verleiding.

Ligusters wijken uit elkaar
voor man en vrouw gedreven
uit het zand. Zij leven.
Met nieuwe longen eten
zij de appels van de bomen
hun ingewanden malen alle
vezels fijn.

Zij worden met namen genoemd. Zij
schuiven rij aan rij het dranghek
uit: teder hun eerste begeerte
aanraakbaar de huid.

(p. 29)

Assonantie, alliteratie en het bijna onopvallende eindrijm geven als het ware een sacrale vorm aan dit gedicht, maar het is een apocriefe belijdenis, want waar het gedicht ophoudt, hebben de aanraakbare huid en het eten van de appels niet tot verval en verdoemenis geleid. In het volgende gedicht, dat met de versregel ‘Is dit dan Paradijs’ begint, bevestigt de schrijfster haar gehechtheid aan het tastbare: ‘ik wil niets kwijt / het lichaam noch de medeplichtigheid / ogen oren liefde veel toegankelijkheid / en weten: // uit deze beker / drink ik / wijn’ (31). De tastbaarheid is niet altijd gelijk aan een met wijn gevulde beker: in het land van Raveel, waar ook Jo Gisekin geboren is, komt de dichteres ‘Onhandig […] steeds terug / [haar] vader heeft [haar] verzen / onderbroken zijn zieken neergevlijd. / Hijzelf is dood.’  Maar ‘Aan de eindstreep van dit landschap / heb ik mijn toevluchtsoord bereid’ (33), voegt de schrijfster eraan toe. Elk leven heeft een licht- en een schaduwzijde, een inzicht dat ook in het picturale werk van Roger Raveel aanwezig is. Jo Gisekins poëtisch gesprek met het werk van Raveel is uiteindelijk toch een spiegel, vooral omdat het aan de lange weg van het verdwenen aanwezig zijn naar bewustzijn gestalte geeft.

***
Jo Gisekin (1942, Machelen aan de Leie) is het pseudoniem van Leentje Vandemeulebroecke. Ze is een kleindochter van Stijn Streuvels en debuteerde in 1969 met Een dode speelgoedvogel. Recent werk: Dooitijd (2012) en De witte pauw (2014). In haar werk treedt ze meermaals in gesprek met visuele kunst. Ze is niet alleen actief als dichter maar ook als vertaler. Haar werk wordt uitvoerig besproken in  Zo, denk ik, wordt de liefde weer nieuw, een bundel essays samengesteld door Cas Goossens.