Poëzie Kort 2017 / 9

 

Erik Brus, Hans Citroen, Hans Sleutelaar en Rien Vroegindeweij, Van de straat – en of. Het beste van Frans Vogel

Frans Vogel (1935 – 2016) was net als Cor Vaandrager een cultfiguur in Rotterdam en een voorbeeld voor Jules Deelder. Vogel en Vaandrager waren ook verwant, zowel in hun poëzie als levensstijl; de titel van de bundel, Van de straat – en of! vat beide goed samen. Je kunt Vogel rekenen tot de Zestigers, de kring rond de Bende van Vier (Armando, Sleutelaar, Vaandrager en Verhagen) die in Gard Sivik en later De Nieuwe Stijl hun poëtica van de ‘totale poëzie’ uitdroegen: het neutraal, feitelijk en onvervormd weergeven van de werkelijkheid, niets uitgezonderd. Veel van hun gedichten bestaan uit op straat gehoorde dialogen, straattaferelen, readymades et cetera.
Die principes is hij altijd trouw gebleven; het motto van Arthur Rimbaud (‘Il faut être absolument moderne’) moet je daarom met een korreltje zout nemen. De bundel bestaat namelijk uit een selectie uit Te gek moment & andere dingen (1996), Het onaandoenlijk hart (72 bm) (2001), Gelukkig maar (2008) en verspreide gedichten. De Zestigers waren toen al onderdeel van de literatuurhistorie, maar dat maakt in dit geval niet uit: Vogel weet je hoe dan ook te boeien.
Het motto van Zero-kunstenaar Jan Schoonhoven is wel op zijn plaats: ‘Het gaat om het moment, het gaat om mooie dingen’. Die mooie dingen moet je ruim nemen, om esthetica gaat het niet. Neem ‘Par bene comparatum’, een ready-made over een man en een vrouw die uitstekend bij elkaar blijken te passen:

‘Never, nooit hebbie me
Meegenomen naar de disco!’

‘Of het al die tijd ook mooi
weer was met jouw!’

Dit is een mooi voorbeeld van wat hij schrijft in ‘De trouvaille, kat in ’t bakkie’: ‘je hebt er niet driftig naar lopen zoeken. / Je hebt het spontaan aangetroffen: kat in ’t bakkie.’ Je moet het wel opmerken, natuurlijk. Niet alles is geschikt.
In het beschrijven van het Rotterdamse leven doet hij me soms denken aan Carmiggelt – bien étonnés … Dat de een columnist is en de ander dichter, de een Amsterdammer en de ander Rotterdammer, het maakt in dit geval niet uit: beiden hadden een scherp oog voor wat er leefde op straat, voor absurditeit, humor, het menselijk tekort in combinatie met stug doorgaan. En beiden waren taalvirtuozen. Vogel is wel veel explicieter, zijn humor is vaak uitbundig, in combinatie met meligheid en ‘van dik hout’, uitstekend geschikt om een sombere bui te verdrijven.
De eerste strofe van ‘Een onsje meer’:

‘Het vlees is beter dan de benen’
Sowieso. En in ‘Geen vlees zonder
benen zien ik ook al geen been.
Wel in benen zonder vlees,
dat zwak is en vroeg of laat
de gewillige geest geeft – pffft.
(Bederf is de weg van alle vlees,
schrijft Möring. En mij lijk’ dan
of die naam mij dat ook wil laten
ruiken: hoe dat meurt en rot.
‘Wenn einer anfängt zu riechen,
ist das Leben schon ziemlich vorbei.’)

Arme Möring. Zijn naam zal voor mij en vele anderen altijd verbonden blijven met Vogel.

Er is veel meer: hij schrijft over de schoonheid van Rotterdam, een dame op leeftijd met fuchsiaroze tandvlees en een 2-delig kunstgebit, oude sprookjes in nieuwe stijl, hij maakt zich druk over een milieuramp, geeft een inkijkje in werkwijze en taalgebruik van de reclamewereld – hij heeft een tijd bij hetzelfde bureau gewerkt als Vaandrager en Sleutelaar – en maakte gedenkwaardige haiku’s en disticha, zoals ‘Kunstenaarsbegrafenis’: ‘Als de kist daalt, / stijgen de prijzen’. Zo is het maar net. Lezen, die bundel.

***
Van de straat – en of. Het beste van Frans Vogel (2017). Samenstelling en tekstbezorging Erik Brus, Hans Citroen, Hans Sleutelaar en Rien Vroegindeweij. Studio Kers, 168 blz. € 18,95

 

Gijs ter Haar, Voor de zwijnen

Gijs ter Haar (1963) is vooral bekend als slammer, en een heel goede: De ‘Godfather’ noemt Alexis de Roode hem op het achterplat van Voor de zwijnen. Vaak blijft er van slam op papier weinig over, maar bij Ter Haar is daar geen sprake van. Zijn nieuwe bundel – prachtig uitgegeven, met illustraties van Peter Zuur – bevat een aantal zeer goede gedichten. Zo vind ik ‘Doordeweeks verdriet’ een aangrijpend rouwgedicht – tenminste zo kun je het lezen. Waarschijnlijk is het in eerste instantie een gedicht over een diep betreurde scheiding, waardoor de ‘ik’ zijn zoon moet missen.
(In de bundel staat de kantlijn rechts).

nu valt de regen anders
dan alle dagen die we kenden
een eender tikken op het glas
dat dan weer wel

ergens moet het droog zijn
als ‘k geen angst voor paarden had
dan zocht ik mij een zadel
en reed je tegemoet

ik wacht hier maar en schuil het uit
dat weet ik ook dit is geen thuis
daar staan mijn spullen, daar
mijn bed. dit is een plek

ik mis mijn zoon voor al

(Let op: niet ‘vooral’, maar ‘voor al’ – voor alles).

De eerste strofe is prachtig in zijn eenvoud en volkomen raak. In beide gevallen (scheiding of dood van de zoon) is er sprake van een breuk, een voor en een na – ondraaglijk definitief in het geval van de dood. Alles is anders geworden en tegelijkertijd blijft veel hetzelfde: ‘dat dan weer wel’ – die nuchtere vaststelling is onvergetelijk, evenals de regel: ‘ik wacht hier maar en schuil het uit’. Wie zulke regels schrijft is een Dichter – met hoofdletter.

Gijs ter Haar is een lyricus die het leven omarmt, niet alleen als hij over nieuwe liefdes, maar ook als hij over verloren liefdes of het voorbijgaan van de tijd schrijft. Hekeldichten horen er ook bij, uit betrokkenheid. In ‘Was ihr den Geist der Zeiten Heißt, das ist im Grund der Herren eigener Geist in dem die Zeiten sich bespiegeln’ (Goethe), gaat hij tekeer tegen ‘de ik zit alleen nog met face in mijn phone / ook al ben ik op een feestje generatie (…) de ik sterf liever dan dat ik inlever generatie ( … ) die generatie // degeneratie’. Hij weet zijn woede meesterlijk weer te geven in ritme, klemtonen, alliteraties, (binnen)rijm:

hier ben je, daar sta je
in de wereld van mensen wees welkom
     en zwelg
in het grote veinzen, de kudde van volgers
(…)
je rol in de orde de chaos het reilen
het zeilen de pegels het paaien het naaien
het graaien de honden de haaien het branden
van banden om broeders en zusters
     geclusterde
bommen het breken het braken het buigen
     het missen
van benen en leef toch het bruisende
     leven vooral

(…)

‘Ruimschoots ervaring met God, de dood, de liefde en de oorlog, tapt uit alle vaatjes. Nog niet klaar. Op weg naar de Boeddha-staat’, schrijft Alexis de Roode. Als lezer hoop ik dat zijn poëzie daarin niet oplost.

***
Gijs ter Haar (2017). Voor de zwijnen. Uitgeverij de Muze, 48 blz. € 15,00


Kila van der Starre, Poëzie in Nederland

Vogel is of was te lezen op een Rotterdamse vuilniswagen: ‘Jong begeerd, oud afgedaan’. In het gelijknamige gedicht schreef hij dat die regel ‘regelrecht slaat / op de content (de complete / theeringzooi door mekaar) van zo’n vuilniswagen’, maar je kunt die regel natuurlijk ook als een kernachtige samenvatting van het menselijk bestaan beschouwen.
Gijs ter Haar behoeft verder geen toelichting: iedereen die weleens een festival of poetry slam heeft bezocht, kent hem en uiteraard kun hem ook op Youtube bewonderen.

De verschijningsvormen van poëzie zijn sterk veranderd. Kila van der Starre, een van de redacteuren van de essaybundel Dichters van het nieuwe millennium , is bezig met een promotieonderzoek naar Nederlandstalige ‘poëzie buiten het boek’. In haar toelichting zegt ze onder andere: ‘Poëzie buiten de bladspiegel, zoals podiumpoëzie, digitale poëzie en poëzie in de openbare ruimte, lijkt steeds populairder te worden. Poëziefestivals trekken volle zalen, cafés zitten vol voor poetry slams, op het internet wordt volop lyrisch geëxperimenteerd, zangers bereiken een enorm publiek, muurgedichten sieren tientallen steden, Gedichtendag is uitgebreid tot een Poëzieweek en dit jaar benoemde België voor het eerst een Dichter des Vaderlands. Als we het genre niet beperken tot lezen, heeft poëzie vandaag misschien wel het grootste bereik in eeuwen.’
Ze voerde deelonderzoeken uit naar de manieren waarop volwassenen in aanraking komen met poëzie en hoe vaak. (Poëzie in Nederland, hier te downloaden). Ze heeft ook de website straatpoezie.nl opgezet, de eerste inventarisatie van poëzie in de openbare ruimte van Nederland en Vlaanderen. Iedereen kan gedichten aanmelden; er zijn inmiddels meer dan 1600. Je kunt natuurlijk ook volstaan met het zoeken naar openbare poëzie in je omgeving.

Haar onderzoek kan veel betekenen voor het basis- en voortgezet onderwijs en ook voor het mbo. Docenten zitten vaak met de handen in het haar als het om poëzie gaat: hoe wek je belangstelling? Op p. 26 en 27 van Poëzie in Nederland geeft Van der Starre een aantal aanbevelingen, gericht op verschillende doelgroepen. Een ervan is expliciet gericht op het onderwijs, maar iedere docent die ook maar een beetje creatief is, weet met die andere ook wel raad. En die site over straatpoëzie? Een eitje. Stuur leerlingen voordat zij de site kennen onder of na schooltijd in twee- of drietallen de straat op en laat hen noteren wat zij tegenkomen. Bij terugkomst kunnen zij hun inventarisatie vergelijken met die van de site. Het is leuk als zij een gedicht of citaat vinden dat daar nog niet in staat, dan kunnen zij het toevoegen.

***
Kila van der Starre (2017). Poëzie in Nederland. Een onderzoek naar hoe vaak en op welke manier volwassenen in Nederland in aanraking komen met poëzie. Stichting Lezen, 62 blz.