Recensie van Het zingen van de wereld - Marc Tritsmans

De weerklank van de lege wereld

Marc Tritsmans
Het zingen van de wereld
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2017
ISBN 9789046822937
€ 19,99
62 blz.

Het gebeurt zelden dat een dichter er blijk van geeft de geologische processen niet alleen te begrijpen, maar ook in zijn taal te verstaan. Daarbij blijf ik verre van de geologische realiteit, op basis waarvan we moeten aannemen in een interglaciaal te leven, waarbij zowel klimaatschommelingen naar boven als beneden een voorspelbaar feit zijn. Veel meer dan de gemiddelde mens, ja vermoedelijk meer dan welke andere kunstenaar dan ook, spreekt de dichter vanuit en binnen zijn ik, waarmee meestal ook zijn positie ten opzichte van de taal geijkt is. Waar een dichter als Martinus Nijhoff ernaar streefde om door middel van het persoonlijke te raken aan het algemeen-menselijke en daarmee aan het alom verstaanbare, lijken veel van de hedendaagse dichters in surrealisme over zichzelf heen te willen buitelen om maar als ‘eigen’ herkenbaar te zijn.

Marc Tritsmans weet waaruit zijn taal gehouwen of naar boven gepompt is en hij schaamt zich daar niet voor. Evenals in voorgaande bundels sorteert, stapelt en bouwt hij zijn gedichten met woorden die de weerklank zijn van zijn natuurlijke omgeving: sterren, steen en groene begroeiing. Maar daarbij blijft het niet. In zijn taal ondergaat hij de natuurlijke processen, hij ondervindt ze aan den lijve en getuigt van die sensaties in zijn poëzie.

AARDE

dat ze van ons houdt is onwaarschijnlijk
dat ze ons wil houden lijdt geen twijfel
zo stevig trekt ze ons tegen zich aan
dat gewrichten almaar harder gaan kraken

en wij blijven wel koppig ontkennen
dat ze met ons kan doen wat ze maar wil
trachten vaak aan haar greep te ontsnappen
maar langer dan een dag laat ze ons niet los

op knieën dwingt ze ons ten slotte allemaal
doet ons huilend bekennen dat wij haar aanbidden
en als niemand het ziet willen we niets liever

dan haar vruchtbare koelte strelen, opsnuiven
de oeroude geur, koesteren de lome zwaarte
die ons draagt en ons uiteindelijk zal verpletteren

[p.10]

In dit gedicht is overigens meer aan de hand dan het ervaren van de zwaartekracht, zoals die inwerkt op een mensenlichaam: niet alleen de voeten worden naar het aardoppervlak getrokken, van teen tot kruin trekt de aarde ons lichaam naar maximale vlakte, zodat we op tijd van duur instorten als een oude toren. Tegelijkertijd plaatst hij zichzelf en zijn lezers in de oeroude omarming van man en vrouw, de liefdesrelatie die hunkert naar samengaan, maar daarvan ook de zwaarte ondervindt. De aarde als moedergodin wordt hier in het klankpalet van de taal vermengd met de mannin, die, evenals de Adam, uit adama, stof, aardgruis, is ontstaan en niet anders kan dan terugkeren naar haar en zijn oorsprong.

Het gaat te ver om de taal van Tritsmans ‘alledaags’ te noemen, hoewel hij vrijwel steeds gebruik maakt van woorden die iedere lezer zonder schroom voor onbekendheid met de betekenis ervan in de mond kan nemen. Wanneer je zijn gedichten uitspreekt, ervaar je dat zij, meer dan in eerste instantie bij lezing lijkt, gebouwd zijn op, wellicht zelfs gehuisvest zijn in de klank van de gekozen woorden. Door zijn persoonlijke keuze te maken uit woorden die zo algemeen van gebruik zijn dat enige specifieke betekenis het ervaren van hun klank niet in de weg staat, bereikt de dichter langs natuurlijke weg het vlies in de ziel van de lezer, dat deze woorden weerklinken laat.
Tegelijkertijd lijkt hieruit ook de tragiek voort te komen, die in veel van de gedichten in deze bundel aanwezig is. Het deelhebben aan het eeuwigdurende, het alomtegenwoordige van de natuurlijke werkelijkheid is altijd tijdelijk, de ervaring van het rustige samengaan wordt meteen voelbaar bedreigd door de dreigende zekerheid van het moeten loslaten.

DIT ZACHTE

ook zonder dat we het beseffen hunkeren wij
voortdurend naar dit vanzelfsprekende zachte
dat het gewicht dat wij torsen, ons logge lichaam

blijft verwelkomen en onze stappen dempt
niets meer dan blote huid van aarde is dit
door zon, regen en wind geduldig verkruimelde

waarop het gras, het mos, alle planten en bomen
waarop dieren met eerbied hun poten laten neerkomen
laat ons dus beducht zijn voor het ogenblik waarop we

niet langer huid tegen haar huid elkaar mogen bevoelen
en beluisteren: hoe verloren onze gedachten en wij
voor altijd losgeraakt van de grond en alle werkelijkheid

[p. 19]

Uiteindelijk krijgt vooral dit besef het laatste woord in de bundel. Het ‘zingen van de wereld’ hoort bij de wereld zelf, of er nu luisteraars zijn of niet. In het laatste gedicht van de afdeling ‘Nagalm’ stelt Tritsmans zich als mens en als dichter bloot aan de – in al haar eenvoud pijnlijke – vaststelling dat de werkelijkheid in haar aard een werkelijkheid van leegte is, met vormen zonder beschouwer, met klanken zonder luisteraar, met substantie zonder voeling die dat alles betekenis geeft. Zo wordt de mens het eenzaamste wezen op aarde, doordat hij aan zichzelf moet toegeven dat hij, de naamgever en omvormer van alles, juist hij de enige is die er in wezen niet bij hoort. Dat zonder hem de werkelijkheid zichzelf wordt en blijft en overgaat tot de orde van de dag.

FOTO VAN BERGLANDSCHAP

niets levends in dit beeld te bekennen
enkel vierduizenders bewaken de wereld
en tijd schiet plotseling alle kanten uit

terwijl mijn vader nog naast me staat
al is hij jaren dood, steekt Hannibal
met zijn olifanten de bergkam over

stoten sabeltandtijgers en holenberen
aan de rand van de gletsjer hun adem
nog vol vertrouwen de lucht in

en nu we er zelf nog op staan kijken
zijn al onze gelukkige uren en dagen
op deze plek alweer uitgewist en zien we

hoe het hier ooit was en zal zijn: alles
in volmaakte onverschilligheid leeggeschraapt
niets levends in dit beeld te bekennen

[p. 54]

***
Marc Tritsmans (1959) studeerde tandheelkunde en is werkzaam als milieu- en duurzaamheidsambtenaar in Borsbeek. Hij woont in Boechout en gaf een aantal jaren poëzielessen aan de Antwerpse Schrijversacademie. Tritsmans debuteerde in 1992 als dichter met de bundel De wetten van de zwaartekracht. In Gerrit Komrij’s Nederlandse poëzie van de 19de tot en met de 21 ste eeuw in 2000 en enige gedichten (2004) is hij vertegenwoordigd met zeven gedichten. Hij won in 2011 de Herman de Coninckprijs voor Studie van de schaduw en tevens de publieksprijs voor het beste gedicht met ‘Uitgesproken’.