Gedichten

OP WIEKEN

Je had de bijenwas waar je vleugels mee
aan je schouderbladen bevestigd waren voor je de sprong waagde
goed laten harden, terwijl je wist
dat je aan geen enkel labyrint ontsnappen kan –
vooral niet aan het innerlijke

hoe behoedzaam je vader ook te werk ging
en zijn beste gereedschap gebruikte, veren met stevige
schachten en slagpennen koos, de risico’s
bleven levensgroot

wat woog ten slotte meer tegen de zwaartekracht op
dan de sensatie je los te maken, het schitterende panorama
te kunnen bewonderen, de hele archipel
honderden meters onder je, het vasteland nog
mijlenver weg

en op de thermiek van een lichte bries groeide je durf
tot overmoed uit, de verschroeiende zon
beroofde je van je wieken, stekeblind was je al
voor het water zich boven je sloot

zo vernuftig aan de krochten van het doolhof ontkomen
hoopte je jezelf te overstijgen door een gooi naar het allerhoogste
te doen, want daar moet het bij iedere poging
natuurlijk steeds weer om begonnen zijn: een glimp
van het oneindige op te vangen –

daarom

 

Uit: Om en Nabij / Mettertijd

ONDER OGEN

Geblinddoekt weer terugkeren en kijken
in hoeverre je geheugen je herinneringen veilig heeft gesteld –

zal het meeste overeind, intact zijn
gebleven en laten de finesses zich nog steeds raden
als ze het onderwijl al niet
tegen de tijd hebben afgelegd?

wie weet werd het theater gesloten, het wezen
van straten onherroepelijk veranderd, zijn hele rijen
huizen in zoiets als een ommezien
met de grond gelijkgemaakt

maar dat ene raam dan op de bovenverdieping
waarachter zij op een druilerige avond halfnaakt verscheen
zodat het was of het gemiezer
haast wellustig van haar huid gleed

haagdoornkoude nachten en het lichte waas
van lang voorbije ochtenden boven de speelplaatsen
en tuinen van kinderjaren die eeuwig
zouden duren maar zo kortstondig bleken –

je wrijft je ogen uit en wat geeft het
of het opgeroepene niet echt meer met de werkelijkheid
overeenstemt?

er is geen onversneden heden

 

Uit: Om en Nabij / Tot zover (Henk Bernlef gedenkend)

V

De omtrekkende bewegingen van een witgevlekte schapedoes
waarmee hij zijn kudde bijeenhield, over de heuvels
verbeten voor zich uit dreef – op andere, minstens zulke heldere dagen
leken de einders in en ver achter zichzelf te verzinken

voorbij de bocht een lopende jakobsladder die balen stro
naar een schuurzolder zond en naast hun kruiwagens en bij elkaar geveegde
bladeren de roerloze, in grauwe overalls gestoken
gestalten van een paar gestichtsbewoners, de stelen van harken
en bezems omklemmend alsof ze een laatste
houvast boden, gebreide wollen mutsen, hun ogen
maar net aan vrijlatend

alle windstreken, de wegen naar al het vergeten
werden vanaf deze hoogte bestreken, korstmos, varens en steenbreek
puilden uit de vestingmuren, duiven koerden boven in
een van de hoektorens, voer voorverterend
in hun krop, daar, beneden mij, hing ongetwijfeld
wel weer ergens tussen de doornstruiken
een Christus dood te gaan, zonder veel kans op verrijzenis –

slenterend volgde ik de nog intacte stadswallen, raapte kastanjes
om ze op te wrijven, tot ze, als van binnenuit, diep
gingen glanzen, tot iemand ongemerkt naderde, haar waterkoude handen
voor mijn gezicht sloeg, vragend: wie ben ik?

en dat ik zo graag gewild had dat ik het antwoord wist

 

Uit: Gissingen, gebeurtenissen / Ergens onderweg