Recensie van Om tijd te winnen. Gedichten 1995-2015 - Jan Dullemond

De apologie van een recensent

Jan Dullemond
Om tijd te winnen. Gedichten 1995-2015
Uitgever: Liverse
2017
ISBN 9789492519184
€ 19,50
179 blz.

In de nieuwe biografie van Louis Couperus ‘Couperus een leven’ van Rémon van Gemeren gaat de schrijver buitengewoon uitvoerig in op de poëzie van deze grote romanschrijver. De poëzie is, ook voor Couperus zelf, als mislukt te beschouwen. Geprezen worden de rijkdom aan woord en de sierlijkheid, soms gekunsteldheid van de taal, maar er is iets dat er niet is. Lodewijk van Deijssel kraakt, zoals alleen van Deijssel dat kan, de poëzie. Laten we het eigentijds zeggen: er was geen emotionele klik. Het lyrisch moment dat van een taalbouwsel een gedicht maakt, was er niet. De persoonlijke emotie van de schrijver ontbrak, terwijl de Tachtigers bezig waren met de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie. Meerdere recensenten kraken de poëzie van Couperus af op vaak niet mis te verstane en zelfs grove wijze, daarbij vaak op de man spelend.

Toen ik de bundel van Jan Dullemond las, had ik in eerste instantie hetzelfde. Ik miste de klik van het lyrisch moment. Nu lees ik een bundel altijd eerst vluchtig door, probeer de smaak te proeven, kijk naar de vormen. Ik was niet enthousiast, de poëzie leek zelfs wat houterig. Maar, en vandaar de titel van deze recensie, ik vind dat een recensent niet is ingehuurd om het werk van een dichter met de grond gelijk te maken. De argumenten van de beoordelaar zijn vaak persoonlijk; ze zijn net zo lang als ze breed zijn. Bovendien: er ligt een werk voor me dat een schrijfperiode beslaat van 20 jaar: het gaat de kant uit van een verzamelbundel, waarin het beste van de dichter te vinden is. Ik neem aan dat de zwakke punten er dan zijn uitgehaald. Ik was niet tevreden met mijn eerste, oppervlakkige oordeel. Om de dichter recht te doen heb ik de bundel nog driemaal herlezen, steeds zorgvuldiger, aanstrepend wat  ik  van belang vond.

Hoe zit de bundel in elkaar?  ‘Om tijd te winnen’, zegt de begeleidende tekst, ‘heeft de vorm van een labyrint. In de loop van twintig jaar schrijven groeide dit labyrint naar zijn vorm, elk gedicht en elke cyclus voegt een ruimte toe om in rond te kijken, of een complex van ruimtes, gangen en trappenhuizen’.
Voor mij is een labyrint niet iets positiefs, een plaats waar het moeilijk is om de weg te vinden, je verdwaalt hopeloos. Geen plek om aangenaam te verblijven: het labyrint van koning Minos huisvestte een minotaurus, een mystiek dier dat mensen verslond. Toen Theseus zich erin waagde nam hij een gouden draad mee, hem gegeven door Ariadne opdat hij de uitgang terug kon vinden om in veiligheid te raken. De dichter was veel op Kreta, hij bezocht het labyrint dat hem kennelijk een ander  gevoel geeft. Hij  kent zijn klassieken. (Op p. 153 staat bijvoorbeeld in Griekse karakters een Homeruscitaat bij het gedicht ‘Oplettend pak ik de lente en maak het open’. Het woord ‘het’ verwijst naar ‘de lente’).

‘Beter dan water’ is een eerste ruimte om rond te kijken. Een ander rustpunt noemt de dichter ‘Het ei van Brancusi’. In dit deel van het labyrint bezoekt hij het beeldenpark Middelheim in Antwerpen  en schrijft over de kunstenaars en kunstwerken die hem inspireren. Daarna komt dit ei van Brancusi (‘In dit ei groeit een lied, geen embryo / een liefdeslied dat doorklinkt als hij zwijgt’) nog vier keer voor in de afdeling ‘Rondzingend werk’, waarin we nog eens verwijlen in de Antwerpse beeldentuin. Vraag van mijn kant is of dit de bouw van het ‘labyrint’ niet wat rommelig maakt. In ‘De tijd na de oerknal’ zijn we op reis en arriveren ter plekke in het labyrint: Griekenland en Kreta bieden ons uitzichten

Jan Dullemond was psychiatrisch verpleger. Er ligt onmiskenbaar een sterke sociale lading in sommige gedichten. In zijn ‘Prehistorisch’ bijvoorbeeld (p. 22) schetst hij een gevoelig beeld van een patiënt: ‘Weet ze wat gebeurd is, waarom ze weer/ opgesloten is voor de nacht?/ Haar rapport vermeldt niet meer / dan het feit….’. Een ander gestoord mens is wit geschminkt : ’Hij diagnosticeert zichzelf als clown… / De clown weigert de neuroleptica / die ik hem aanbied en smeekt om lachgas’. De dichter is op zijn best als hij vertelt over Griekse gezinnen, zijn hardlopende collega Ron Theunissen min of meer huldigt, of de Dordtse schrijver/dichter Jan Eijkelboom herdenkt.

Beiden zijn we verhuisd vandaag,
hij woonde bij de Oude,
ik nu aan de Nieuwe Maas.
Anders kan ik het water niet benoemen.

Jan Eijkelboom is teruggevallen
in de stroom die hij benoemde.
De zon die met zacht licht ondergaat
zal ook vandaag niet blijvend zijn,

Hij moet een man van de rivieren zijn en houdt van kunst. Een aantal kunstenaars passeert de revue, of moet ik zeggen ‘t labyrint, waaronder de beeldhouwers uit Middelheim en Rembrandt en Saskia.

Ik vind de poëzie over het algemeen weinig speels en muzikaal. Een enkele keer speelt de dichter met zijn taal: er is een verrassend gedicht dat mij zelfs aan Paul van Ostaijen deed denken (p. 36) door de herhalingen. Er zijn ook weinig verbeeldingen en metaforen in de teksten te vinden. Gedichten zijn vaak vertellingen waarin namen en feiten worden gebruikt; niet vanwege de poëtische, maar de ‘echte’ werkelijkheid. Soms gebeurt er onverwacht iets, is er ineens een Spaanse ruimte in een ‘Suite: Winter in Andalucia’, waarin de sfeer van de gedichten zo anders is, lichter, bijna witte poëzie, afwijkend van vorm, speels en klankrijk.

ARCHITECTUUR         VAN         ANDALUCIA

het                                                       het
balkon                                          portiek   
tegen                                                naar
de                                                         de
gevel                                              straat       

is                                                     neemt     
slechts                                                 mij
een                                                 ernstig
knipoog                                                 op

Het is jammer, dat de dichter zo weinig van deze lichtheid laat zien in de rest van de poëzie. Af en toe speelt de tijd een rol in de gedichten, maar het is niet echt een thema.

Als samenvatting na herhaaldelijk lezen van en mij verdiepen in de tekst: de bundel bevat integere poëzie, vooral daar waar mensen een rol spelen. De poëzie vertelt, er is weinig beeldende lyriek bij: de vertellingen zijn wat recht toe recht aan, soms zelfs aan de droge kant verwoord. Ik mis daarbij het lyrische moment. Wat ik wel opmerk is een menselijk gevoel dat als het ware op de achtergrond meespeelt, het is sterk ingehouden, er zijn momenten dat het even doorbreekt. De bundel bevat ook veel reispoëzie; de dichter houdt van Spanje en Griekenland en van kunst en kunstenaars. Hij woonde zelfs acht maanden op Kreta om het Millennium te ontlopen, zoals hij zelf stelt. De invloed van dat verblijf op de poëzie, die van mensen, gezinnen, families en gemeenschappen vertelt, is te merken. Wellicht ontstond ook daar het idee van het labyrint, een woord dat bij de dichter en de recensent verschillende associaties oproept.

***
Jan Dullemond werd in 1952 geboren te Rotterdam. Hij volgde  een opleiding tot psychiatrisch verpleegkundige die hij in 1980 voltooide. Hij publiceerde o.a. in Passionate en de Tweede Ronde, gaf werk uit in eigen beheer en deed een samenwerkingsproject met fotograaf Saskia Risseeuw. Later studeerde hij Engelse taal- en letterkunde aan de UvA, waar hij geobsedeerd werd door het begrip ‘tijd’. Hij studeerde in 1992 af op het veranderend renaissancistisch tijdsbeeld in het werk van William Shakespeare.