Recensie van Open ogen - Remco Campert

De ontwapenende blik van de oude dichter

Remco Campert
Open ogen
Uitgever: De Bezige Bij
2018
ISBN 9789023462835
€ 17,99
48 blz.

Wie ouder wordt gaat het meestal niet zo goed meer af om zonder bril te lezen. Ik bedoel dit vooral in overdrachtelijke zin. Alles wat we eerder hebben gelezen en meegemaakt kleurt onze interpretatie. Om nog maar te zwijgen van de vertekening die optreedt wanneer we weten dat een tekst door een bepaalde auteur geschreven is. Het is moeilijk om dan een open blik te houden. Mijn vorige recensie ging over Frank Boeijen. Uitersten, jawel. Voor de grap had ik een tekstfragment van Frank Boeijen op Facebook gezet, met als post: ‘De nieuwe bundel van Campert is uit. Ik kan niet wachten!’ Het bericht werd enthousiast geliket, er was niemand die op het idee kwam dat deze woorden voor Campert toch een beetje aan de lichte kant waren. Men las de woorden door een roze bril.
Ik zal proberen in deze bespreking deze leesbril af te zetten. Een andere bril kan ik echter moeilijker afzetten. Vanuit mijn werk met ouderen als psycholoog in verpleeghuis en ziekenhuis heb ik een speciale belangstelling ontwikkeld voor poëzie die over de ouderdom spreekt. In het bijzonder voor dichters die op hoge leeftijd de pen pakken, en zelf verslag doen van hun wederwaardigheden. Van het gevecht tegen de tijd, tegen de aftakeling. Van het zoeken naar zin, wanneer het moment komt om de balans op te maken. Deze belangstelling begon met mijn ontdekking van Voorlopig (1976), de bundel die Adriaan Roland Holst op 88-jarige leeftijd liet verschijnen. Even oud als Campert nu is. Ik kom daar later op terug. Laten we eerst de bundel eens ter hand nemen.

Vrienden

Vandaag is het nu avond
gegeten met liefste vrienden
even ontheven aan poëtische plicht
op lachen gericht van elkaar weten
dat het diepste van de liefde de vriendschap is

ik schrijf een end van me weg
maar hoop dichterbij te komen
bij mijn vrienden en u
altijd op weg
waar eindigt ons pad?

Het tweede gedicht uit de bundel begint nogal apart. Het is avond, of eigenlijk is de avond waarover geschreven wordt al vrijwel voorbij. De formulering ‘Vandaag is het nu avond’ is zowel onbeholpen als aandoenlijk. Ook blijft ‘ontheven aan’ haken, waar ‘ontheven van’ logischer zou zijn. Maar het gaat natuurlijk om de regels hierna, de ervaring dat vriendschap misschien wel de hoogste vorm van liefde is. Poëtisch zit de eerste strofe subtiel in elkaar, met het kruisend binnenrijm ontheven/weten en plicht/gericht in r3/r4, en de sterke assonantie in r5: diepste / liefde / vriendschap. In de tweede strofe zetten we een paar stappen achteruit. Woordspelingen met ‘dichter’ zouden verboden moeten worden. En de laatste twee regels ‘altijd op weg / waar eindigt ons pad?’ zouden de eerder genoemde Boeijen niet misstaan. Kortom, zo aan het begin van de bundel is onze aandacht getrokken, maar we zijn nog niet overtuigd.
Het derde gedicht begint tastend: ‘Ik zou kunnen zeggen / ja wat niet al / aan woorden geen gebrek / goede woorden?’ De rammelende tweede zin is zelfs tot titel van het gedicht verheven: ‘Ja wat niet al’. Was dit de bundel van een onbekende debutant, dan was dit het moment om hem terzijde te leggen. Maar de slotregels zijn in de roos: ‘vergeet niet de vorm te vergeten / zelfgekozen gevangenis / open die kooi voor het laatst en voorgoed’. ‘Niets is minder vrij dan het vrije vers’ schreef T.S. Eliot al honderd jaar geleden. De dichter is zich ervan bewust, dat je zo weer in de valkuil van een verwachtingen scheppend ritme of rijm loopt. Of je nu kiest voor een vaste vorm of voor het vrije vers, de beperkingen die je jezelf oplegt bij het schrijven kunnen een gevangenis worden. En ook daar wil de dichter uitbreken, in misschien wel zijn laatste bundel. Een paar gedichten verderop neemt Campert een voorschot op alle kritiek: ‘dit is geen grootse poëzie / weinig bevlogen’. Waarmee hij ons lijkt te zeggen: ik schrijf nu wat ik van mezelf moet schrijven, wat ik nog gezegd wil hebben. Daarbij zal ik wanneer dat nodig is zelfs slechte regels laten staan.

In ongeveer de helft van de gedichten uit Open ogen blijft Campert dicht bij huis. Hij schrijft over het schrijven van poëzie, het ouder worden, herinneringen aan vrienden of gewoon over een voorjaarsbuitje tijdens een ommetje in de buurt. De andere helft van Open ogen heeft in de pers veel aandacht gekregen. De bundel opent nogal provocerend met de volgende regels: ‘Afgerukt been bot bloed / laaiend vuur in de vlieghal’ (uit: ‘Zaventem’). De achterkant had ons al gewaarschuwd: ‘De wereld kwam niet eerder zo hard binnen in de gedichten van Remco Campert.’ Campert nam achttien gedichten op die over de actualiteit gaan zoals die dagelijks in al zijn heftigheid tot ons komt (oorlog, vluchtelingen, aanslagen). Vier daarvan hebben betrekking op de Tweede Wereldoorlog, die hij als jongen meemaakte, maar de meeste van deze gedichten gaan over de oorlog in Syrië, aanslagen in België en Frankrijk, en over vluchtelingen die verdrinken op de Middellandse Zee of in Europa op een grens van prikkeldraad stuiten. Na het schokeffect van het openingsgedicht zijn deze gedichten gegroepeerd in de tweede helft van de bundel.

Open ogen

Soms die gezichten van Syrische vluchtelingen
waarvoor Orban van Hongarije
zijn grens gesloten houdt
hij laat zelfs op ze schieten
ik geloof mijn ogen niet
hoewel ik ze wijdopen sper
’s nachts nog voor ik droom
trekken ze voorbij
en kijken mij vragend aan

De titel van de bundel gaat dus over de ogen van de dichter, die ons door zijn bril altijd wat licht vergroot en vragend lijken aan te kijken. De voorkant van de bundel toont een enigszins abstract zelfportret uit 1986, waarin zijn kenmerkende blik nog net herkenbaar is. Campert gelooft zijn ogen niet, en gebruikt sobere taal om het ongelofelijke leed dat de huiskamer binnen spoelt te verwoorden. Hij lijkt daarbij vaak min of meer bewust voor naïviteit te kiezen. Vluchtelingen zijn het slachtoffer van ‘het streven / van een machtsbeluste dictator’. Waarbij hij zich in een ander gedicht net zo makkelijk tegenspreekt: ‘ik vervloek de schuldigen / die zijn als altijd anoniem’. De dichter kan niet om de ‘actuele lijken in de middellandse zee’ heen, zijn poëzie raakt ervan doordrongen. Evengoed realiseert hij zich, dat zijn individuele protest niet het verschil zal maken voor het jongetje ‘bedekt met bloed / en asgrauw puinstof’: ‘dit gedicht helpt hem niet / maar het is genoteerd’. Zo lopen de persoonlijke en politieke thema’s naadloos in elkaar over. In de gedichten over vluchtelingen gaat het ook over poëzie, en zelfs ook over de slapeloosheid van de oude dag.

Dood

Ik denk aan de dood mijn dood
ik denk derhalve aan niets
de dood is het niets
aan niets kun je niet denken
aan sterven kun je denken
maar te pijnlijk te ontwricht
de dood is het uiteindelijke
allesomvattende gedicht

Campert varieert in dit gedicht op de oude uitspraak van de stoïcijnen ‘Waar ik ben, is de dood niet, en waar de dood is, ben ik niet’. Het is een kleine gedachteoefening in het licht van zijn onvermijdelijk naderende dood. Hoewel, naderend, de tijd dat je op je honderdste verjaardag de burgemeester op bezoek kreeg is wel voorbij. De dichter lijkt zichzelf gerust te willen stellen, vanuit de materialistische visie dat met de dood alles ophoudt. Een kortdurende geruststelling, want de doodsangst ligt toch op de loer, en laat regel 6 ontsporen. Het (denken aan) sterven lijkt me eerder ontwrichtend dan ontwricht. De laatste regel is paradoxaal. Het is niet waarschijnlijk, dat de dood nu opeens een gedicht is, immers de dichter had net betoogd dat de dood niets is. Subtieler wordt het, wanneer we ‘gedicht’ als een voltooid deelwoord proeven: het uiteindelijke, het allesomvattende wordt door de dood afgesloten, dichtgemaakt.

In Open ogen gaat Campert de confrontatie met de eindigheid van het leven aan: ‘Een verdriet komt over me / de weg loopt op / ik zie het einde niet (…) / verdriet / hoop op slaap eindeloos’. Ik heb het eerder genoemde Voorlopig, de bundel die Adriaan Roland Holst op 88-jarige leeftijd liet verschijnen, er nog eens op nageslagen. Roland Holst wilde nog één keer vlammen, maar is het meest ontroerend in die gedichten, waarin hij zijn dood onder ogen ziet: ‘Weldra leg ik mijn pen / voor altijd neer en staar / naar wie ik was en ben / en blijf tot aan de baar.’ (‘Wie weet?’) ‘Hij keek tot hij met open ogen / en voorgoed in zichzelf verdween.’ (‘Einde’)
De oorlogsgedichten in Camperts jongste bundel hebben veel aandacht gekregen. Mij raken zijn gedichten over de oude dag het meest. Open ogen wordt beter naarmate ik hem vaker lees. De oneffenheden blijven, maar ze worden steeds zichtbaarder onderdeel van wat de dichter ons in al zijn naakte en ontwapenende eerlijkheid wil vertellen.