Gedichten

door Hanneke van Eijken (1981)

Lichtval

Deze middag mag in barnsteen stollen
onze huidnerven
je wervelkolom die als jonge wilgentak buigt, je schouderbladen
als esdoornzaden op je rug gekruld

je ogen die zingen
in een taal die dieren begrijpen

de dag is de palm van een hand
die ons draagt

ik hou ons
tegen het licht en je lacht

Winter

Het ijs ligt in hoefvormen voor het huis
het kraakt als we erop lopen, flinterdunne
spiegels in het grasland, zo ver
als we kunnen kijken

ik leer je breuken maken
hoe twee cijfers samen een deel van een geheel zijn
we schrijven in condens op de ruiten
je knikt aandachtig en je lijkt te begrijpen hoe
alle getallen samengaan

er is net genoeg licht voor twee mensen
het is koud, buiten
plooit een wintervacht

De adem zingt als een mechanisch vogeltje

Met een beetje geluk heb je honderdtwintig minuten tijd
om een gedicht te schrijven
als je peuter slaapt

je roept snel beelden op van steden, exotische dieren of fruit
dat te lang gelegen heeft, maar wat je hoort
is het ritme van zijn adem die zingt
als een goudversierd mechanisch vogeltje
zo’n vogeltje dat Russische tsaren gehad moeten hebben
de adem zoemt door het speakertje
je denkt aan hoe de beentjes als zachte was gevouwen liggen
armpjes in een statische juichkreet boven het hoofd
de billen parmantig in de lucht

het geluid van de adem doet ook denken aan regen, de regen
die je nog kent van toen je door Azië reisde
de regen die in transparante panelen uit de lucht komt zeilen

letters verschijnen op het scherm als vissersboten
in een baai in de ochtend, nadat de fuiken zijn leeggehaald
de smalle zonen met hun vaders op het dek staan klaar
met touwen om aan te meren
op het strand wachten moeders met manden, de tijd is een deur

die open staat en waar je door naar buiten stapt, de regen in
de loden ochtend aan een verre kust en je telt de sproeten
op je arm, letters
op een leeg vel die alleen te zien zijn in het juiste licht