Interview met Hanneke van Eijken

Het verdwijnen in fictieve kaders

 

Hanneke van Eijken (1981) is docent Europees Recht aan de universiteit van Utrecht en dichter. In die laatste hoedanigheid viel zij al op in de jaren na 2010 door publicaties in literaire tijdschriften als Tirade en Deus ex Machina en haar optredens op literaire podia, de Nacht van de Poëzie en festivals als Lowlands en De Parade.
Haar debuutbundel
Papieren veulens verscheen bij Uitgeverij Prometheus in het voorjaar van 2013. De recensies waren lovend en de Zeeuwse boekenprijs 2013 bekroonde Papieren veulens met de accolade voor het beste debuut. De bundel werd genomineerd voor de C. Buddinghprijs voor het beste Nederlandstalige poëziedebuut in 2014. Daarna volgde de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs 2015.
Op 7 januari 2018 is de presentatie van haar tweede bundel:
Kozijnen van krijt. Vanaf 8 januari ligt hij in de boekhandel.

Het komt niet vaak voor dat een debuutbundel zo juichend ontvangen wordt en meteen een aantal prijzen wint. In het Parool stond hij zelfs vermeld bij de beste boeken van 2013. Het schept verwachtingen voor het vervolg. Dat kan stimuleren of belemmeren. Hoe werkt het succes voor jou?
Eerlijk gezegd waren de eerste positieve recensies een enorme opluchting. Debuteren wilde ik heel graag, maar ik voelde me vlak voordat de bundel daadwerkelijk uitkwam wel bij vlagen en in dezelfde mate doodsbang en zelfverzekerd. Ik herinner me het eerste interview dat ik over Papieren veulens gaf. De interviewer was enigszins kritisch in zijn vraagstelling. Daar lag ik echt wakker van.
Die eerste positieve recensies waren dus zeker welkom. Vooral als ik het gevoel had dat de recensent mijn bundel goed had begrepen, zoals Janita Monna in Trouw.
Tegelijkertijd vond ik het ook moeilijk om nieuw werk te schrijven. Dat ik de Lucy B. en C.W. Van der Hoogtprijs won is een enorme eer, maar die prijs wordt toegekend als stimulans voor nieuw werk (help!). Na Papieren veulens was het mapje gedichten op mijn computer leeg. Ik heb toen zeker een jaar geen goed gedicht meer geschreven. Uiteindelijk schreef ik achter elkaar een cyclus van zes gedichten.
De inspiratie komt vaak als ik non-fictie lees, grappig genoeg. De National Geografic bijvoorbeeld. Daar stond een artikel in over twaalf hagedissen die in barnsteen waren gestold. Dat gegeven heb ik verwerkt in het gedicht ‘Lichtval’. Ook kan jurisprudentie een bron van inspiratie vormen. Het woord ‘grasland’ uit een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie was de aanzet tot het gedicht ‘Winter’. Ik probeer me vooral te focussen op het schrijfproces zelf.

In je eerste bundel waren grenzen een belangrijk thema. De grenzen van de stad, je huis, kamers, jezelf.
Heb je in de nieuwe bundel grenzen aangehouden of verlegd?
Ja, grenzen zijn een heel belangrijk thema voor me. Je komt in mijn nieuwe bundel die thematiek zeker tegen. De kozijnen van krijt, als verzonnen context, kader, zijn ook fictieve grenzen. Daar speelt de bundel erg mee, met het idee dat je je eigen veilige kader kunt verzinnen. De vraag is hoe fictief die veiligheid dan eigenlijk is. Vanuit mijn werk als Europees recht onderzoeker hou ik me bezig met het vrije verkeer van EU-burgers en met Europees asielrecht. Eerder werkte ik in een dak- en thuislozenopvanghuis, waar de grenzen van het huis verdwenen zijn. Die fascinatie voor verschillende vormen van grenzen zit ook in mijn tweede bundel.
In Kozijnen van krijt verleg ik mijn eigen poëtische grenzen. Qua vorm ben ik iets losser geworden. Tegelijkertijd zijn de gedichten scherper, volwassener. Het proces is ook anders geweest. Ik begon echt vanaf nul, met een lege poëziemap. Het zit conceptueel sterker in elkaar denk ik, omdat ik met een bepaald basisidee begon te schrijven.

Je hebt twee goed lopende carrières, als jurist en als dichter. Of eigenlijk drie, want je bent ook moeder van twee kinderen. Waar haal je de rust vandaan om te schrijven?
Voor mij is schrijven een kader creëren voor mijzelf, een soort happy place. Dus ondanks de volheid van mijn leven, geeft schrijven mij rust. Als ik schrijf kan ik iedereen zijn en zijn er geen echte beperkingen. Dus na een dagje kleikoekjes bakken of jurisprudentieonderzoek vind ik schrijven heerlijk. Dan ben ik een oude man, of overambitieuze wanna-be wereldleider, een verliefde tiener. Alles kan.
Mooie teksten doen iets met me, dan gaat er iets zingen. Dat heb ik als ik schrijf, maar ook als ik goede bundels lees van andere dichters. Er ontstaat dan echt meer ruimte in mijn hoofd. Een soort poëzie-kamer, als een Harry Potter kamer die zich opent en waar een hele wereld in past.
Het moederschap is overigens wel een grote rol gaan spelen in mijn gedichten. De angsten van een moeder klinken door de bundel heen. Hoe bescherm je een kind tegen de buitenwereld, zonder dat je een kind juist belemmert? Welke kaders moet je scheppen en waar ga je de grens over naar gekte?
Lees ook het gedicht ‘En de adem zingt als een mechanisch vogeltje’. Dat is een soort making-of-gedicht. Dit gedicht schreef ik letterlijk toen mijn zoontje sliep. Ik maakte er een gewoonte van om eens per week tijdens zijn slaapje poëzie te schrijven. Dit gedicht is precies opgehouden toen hij wakker werd. Het past ook heel goed in de bundel: het verdwijnen in fictieve kaders.

Je was jarenlang als projectcoördinator en programmeur bij de literaire organisatie Het Poëziecircus in Utrecht betrokken. Een tegenbeeld voor dat van de eenzame dichter op zijn zolderkamertje?
Ik vrees dat ik zelf het tegenbeeld ben van een eenzame dichter op een zolderkamer. Dat zou ik soms wel willen! Heerlijk lijkt me dat. Al vrees ik dat ik op dag 3 weer een of ander project aan het bedenken ben.
In mijn tijd bij het Poëziecircus heb ik vrijwel iedere Nederlandse dichter geprogrammeerd en horen voordragen. Tsjebbe Hettinga en Neeltje Maria Min traden bij ons op, maar ook tal van jonge dichters, zoals Joris Miedema en Lieke Marsman, vlak nadat haar debuutbundel verscheen en Simon Vinkenoog. Ik herinner me nog levendig dat Gerrit Komrij bij ons kwam optreden. Hij had mijn mobiele nummer, voor het geval er iets mis zou gaan. Die middag werd ik gebeld ‘Hallo, met Gerrit, Gerrit Komrij, spreek ik met Hanneke?’. Ik dacht dat een van mijn vrienden een grap uithaalde en reageerde dus met ‘Haha, yeah right’. Gerrit kon er wel om lachen later. Maar goed, ik heb heel veel toffe dichters gezien en gehoord en daardoor heb ik mijn eigen smaak goed kunnen ontwikkelen.
Buiten dat ik veel geleerd heb – dat weet je pas achteraf – was het sowieso heel gaaf om met een groep vrienden literaire programma’s te maken. Alles hoorde erbij: het maken van flyers, posters plakken in cafés, draaiboeken maken. Het ging geregeld mis, want we hadden nog niet veel verstand van techniek, om maar eens wat te noemen. En we zeulden met enorme decorstukken door de stad na afloop, want niemand had een rijbewijs of auto. Op een gegeven moment leenden we een bakfiets via via. Dat was een enorme vooruitgang, zeker voor onze fysieke gesteldheid. Uiteindelijk werd het allemaal steeds professioneler, maar die eerste dagen waren wel memorabel.

In vrijwel iedere bespreking van je werk gaat het over de ‘opmerkelijke beheersing van het dichterlijk metier’ zoals het juryrapport van de C.W. van der Hoogtprijs meldde. Aangeboren, aangeleerd?
Wat mij betreft is dichten/schrijven een ambacht. Dat betekent niet dat je als je talentloos bent alsnog kunt leren om goed te schrijven, maar ik geloof wel dat je heel veel moet schrijven en beter nog, heel veel moet lezen, om goed te kunnen schrijven. Ik ben daarnaast behoorlijk streng voor mezelf, zoals de meeste dichters die ik ken. Ieder woord, iedere komma, iedere witregel wordt gewogen.