Recensie van Krekeldoof en andere gedichten - J.H. van Geemert

‘meisjes ooit’

J.H. van Geemert
Krekeldoof en andere gedichten
Uitgever: Uitgeverij De Republiek
2017
ISBN 9789086050178
€ 12,50
68 blz.

J.H. van Geemert is als dichter weinig bekend en dat is jammer. Zijn nieuwe bundel Krekeldoof gaat over ouder worden, het onbereikbare verleden, verval en dood. Dat klinkt zwaar, maar hij maakt de thema’s op een schijnbaar terloopse, bescheiden wijze lichter, humoristisch soms, maar zonder te vervallen in een al te gemakkelijke ironie.
Het woord krekeldoof is een neologisme, maar de betekenis is duidelijk. Van Geemert gebruikt het als metafoor: je merkt niet alle elementen uit de werkelijkheid op. Je kunt ook Oost-Indisch doof zijn: dan sluit je je voor bepaalde dingen af. Het tweede gedicht van de bundel heeft dezelfde titel:

KREKELDOOF

Mijn vader was krekeldoof.
Ik kon het nauwelijks geloven
na een Oost-Indische moeder.

Veel later bleek ook mijn vrouw
krekeldoof.

Wat zou ik
-  de afgelopen zesenzestig jaar  -
allemaal gemist hebben?

De ‘ik’ stelt in de laatste strofe gekscherend een retorische vraag, want de werkelijkheid is niet volledig kenbaar en het verleden nog minder. Mooi is het zinnetje ‘Veel later bleek ook mijn vrouw / krekeldoof’: alleen een ander kan dat constateren en uit dat besef komt de twijfel voort die de ‘ik’ uitspreekt: wat zou hij allemaal gemist hebben? Het verleden is niet te reconstrueren, iets wat ook spreekt uit het motto van de bundel: ‘Alles bleef / zoals het niet was.’ De tijd verglijdt en houvast aan het verleden heb je niet echt. Bereikbaar is het niet meer of het moest in poëzie zijn, maar of de weergegeven situatie dan waarheidsgetrouw is, kun je natuurlijk ook als dichter niet meer achterhalen. In ‘Huiswaarts’ vindt hij een ‘je’ in ‘de Amsterdamse school terug, / verscholen in een schelp van rode steen.’ Het verleden herleeft in het gedicht: ‘Verzeild zijn wij, in wat, in een gedicht, / een kelder waar we rechtop kunnen staan. / / We hoeven nergens meer naar toe.’ Een gelukkig moment, en dat kan ook in het heden voorkomen: ‘Soms, voor het dagelijks leven weer begint / en je weer terugkeert in het beschadigde / lichaam van een man, ben je even / een ademend wezen zonder toekomst en verleden.’ Maar: ‘Voor het beschreven is / is het voorbij’.  (‘Vroege morgen’). Maar de dichter beschreef het wel. Second best?

In zijn weemoed over een voorgoed voorbij verleden doet Van Geemert me denken aan dichters als Jan van Nijlen en Bloem. En ook met Nescio toont hij verwantschap. Zo mijmert Koekebakker in Titaantjes: ‘Als ik er even over nadenk, dan moet die tijd nog voortduren, die duurt zoolang er jongens van negentien, twintig jaar rondloopen. Maar voor ons is hij lang voorbij.’ Koekebakker heeft gelijk, velen van ons weten dat en de dichter ook. Onder het gedicht ‘Net echt’ staat de aanleiding voor het schrijven daarvan: Let it be, Londen, 24 oktober 2012. ‘Alles was er: de perfecte / John, Paul, George en / Ringo, de muziek’. Ook hier een terugblik: ‘Ik dacht aan de jongen, die alles nog kon worden / wat hij niet werd.’ Die titel ‘Net echt’ is knap. Twee woorden waarmee hij een wereld van onvervulbaar verlangen naar vervlogen tijden oproept. In die terloopse, schijnbaar eenvoudige formuleringen is hij een meester. Neem ‘Vader en zoon’, op het eerste gezicht een weinig opzienbarend gedicht over het verglijden van de tijd:

Van vader kende ik
         de schouders
     en zijn handen.
Soms, wil mij de afgelopen
  vijfentwintig jaar ook wel
         de bril te binnen schieten,
zijn stem, zijn hoest,
                          zijn dood.
Van meisjes ooit
         hoor ik hoeveel ik op hem lijk:
bijna hij, bijna.

Dit gedicht ontroert me, met name door die twee woorden ‘meisjes ooit’ tegenover ‘bijna hij, bijna’. Alweer die wereld van ‘voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij’ en daar heeft hij maar twee woorden voor nodig – een vaak onopgemerkt stilistisch hoogstandje. En dat onbereikbare verleden staat tegenover een nabije toekomst, waarvan weinig meer te verwachten valt. Drie woorden ditmaal. En die herhaling van ‘bijna’, waaruit een stille berusting spreekt, prachtig.

De gedichten van Van Geemert zijn universeel. Dat komt niet alleen door zijn thematiek en uitgekiende gebruik van metaforen, maar soms ook doordat ze zo open zijn, dat iedere lezer zich ermee kan identificeren, of preciezer: de gedichten op zichzelf kan betrekken.  In het volgende gedicht heeft hij maar één woordje nodig om dat effect te bereiken: ‘het’.

OOK als het onverwacht komt,
als het me besluipt, bespringt, als
het er niet lijkt te zijn, als ik
het overschreeuw, ontken, als het
me uitput, verwondert,
als ik het uit- of toelach, als ik
het even vergeet.

Op het achterplat staat dat er vijf bundels van hem verschenen, die geen van alle meer verkrijgbaar zijn. Ik hoop dat het Krekeldoof beter gaat. Van Geemert verdient het.

***
J.H. van Geemert (1950) publiceerde in de jaren zeventig onder andere gedichten in De Gids en Hollands Maandblad; later in Tirade en De Zingende Zaag. In 2017 publiceerde hij Reynders, legendarisch kunstenaarscafé op het Leidseplein, samen met Paul Arnoldussen.  Indië tabee is in voorbereiding.