Recensie van Brieven 1962-1974 - Judith Herzberg en Chr. J. van Geel

Alsof ieder woord een goudschaaltje is

Judith Herzberg en Chr. J. van Geel
Brieven 1962-1974
Uitgever: Uitgeverij Bas Lubberhuizen
2018
ISBN 9789059375055
€ 22,99
208 blz.

Het lezen van de briefwisseling tussen Chris van Geel en Judith Herzberg is een bijzondere ervaring. Om te beginnen wordt de klok ruim een halve eeuw teruggezet. Men schreef brieven, ook nadat de telefoon zijn intrede had gedaan. De taal is zakelijk en precies. Al snel wordt duidelijk, dat zeker Van Geel niet alleen aan Herzberg persoonlijk schreef, maar dat hij deze brieven ook gebruikte om zijn gedachten op papier te krijgen. Vaak schreef hij eerst een kladversie, die hij bewaarde. Zijn wat afgelegen huisvesting in Groet (NH), zal ook hebben bijgedragen aan zijn motivatie tot deze vorm van contact. Voor de zeventien jaar jongere Herzberg, die met haar man en twee jonge kinderen in Amsterdam woonde, zal dit wat anders gelegen hebben. De indruk bestaat, dat haar brieven veelal korter waren. Doordat de woning van Van Geel in 1972 volledig is uitgebrand, zijn de meeste brieven en kaarten van Herzberg echter verloren gegaan, en kunnen we dit niet meer goed nagaan. Gelukkig bleken nog een aantal brieven van Herzberg gespaard, en waren sommige brieven ondanks de brandschade nog grotendeels leesbaar. Dat neemt niet weg, dat de hier gepubliceerde briefwisseling een nogal eenzijdig karakter heeft. Ik kom daar later op terug.

De meeste lezers hopen waarschijnlijk in de brieven meer te weten te komen over het ontstaan van de gedichten, of hoe de dichters tegen hun eigen werk (en dat van de ander) aankeken. Interessant is de korte gedachtewisseling over ‘Plataan’, één van de tien gedichten van Judith Herzberg die als favorieten van Van Geel aan het eind van het boek zijn opgenomen. (NB: de tegenhanger hiervan, de favoriete gedichten van Herzberg in het werk van Van Geel, ontbreekt. Dit wordt echter ruimschoots gecompenseerd door de gedichten en aanzetten tot gedichten die Van Geel in zijn brieven aan Herzberg opnam.)

Plataan

Raam vol boom, vertakkend als een kind
en ook zo voelbaar, boom die barsten
in het uitzicht sloeg maar in de opgezwollen zomer
elk uitzicht droeg – raam oog buik
vol houten kind, vol van zo’n hevig soort boom
als in een droom.
Liet niet los.
Kleine tak die aan de verrekijker plakt
muggepoot onder de microscoop
bewoog langzaam langzaam
ruitewisser voor mijn oog.

Van Geel (26 nov. 63): “Bewoog in Plataan wil ik steeds lezen als beweegt. Hoe zit dat?” Herzberg (29/11) antwoordt: “Bewoog in plataan is bewoog omdat het hele gedicht in de verleden tijd staat, het gaat over vroeger naar later kijken; hier is geen plataan voor mijn raam, dat was op de Witsenkade.” 2 dec. ’63 besteedt Van Geel hier nog één zin aan: “Dat je geen plataan voor je huidige deur hebt is me bekend.” De dichters lijken wat langs elkaar heen te praten. Herzberg hangt nog erg aan het anekdotische aspect van het gedicht. Van Geel leest automatisch een tegenwoordige tijd in de voorlaatste regel, omdat de herinnering door het gedicht weer actueel wordt, de kleine tak kan dan voor het geestesoog van de dichter (en de lezer) in de tegenwoordige tijd bewegen.

In zijn brief van 26 nov. 63 gaat Van Geel uitgebreid in op het zojuist verschenen debuut van Herzberg, Zeepost. Hij kende alle gedichten al uit hun eerdere correspondentie en ontmoetingen, en geeft daarom in zijn brief vooral zijn favoriete gedichten en regels aan, en stelt ook enkele kritische vragen, zoals over ‘Plataan’. Hoewel hij in sommige brieven kort commentaar geeft op haar werk, staan in het hele boek toch vooral het werk en de persoon van Van Geel op de voorgrond.

In zijn brief van 8 december 1964 reageert hij uitvoerig op vermoedelijk kort daarvoor ontvangen feedback van Herzberg op zijn werk. Helaas is haar brief verloren gegaan. Van Geel heeft grote plannen over het laten verschijnen van twee of drie dikke bundels met gedichten. Een meerjarenproject waar hij samen met zijn redacteur, Jan Emmens, gestaag aan werkt. Zoveel mogelijk schrappen en het resultaat nog eens tegen het licht houden is daarbij zijn devies. “Overigens zou je zeer gelijk hebben als je zou zeggen dat al dit wellicht wat overbewust maakt en naar het doodlopend slop voert. Ten dele is dat waar, anderzijds men leeft om zijn kunsten af te leren. Een brandstapel van illusies gaat hier in rook op. Tot vier regels hooguit brengt mijn grootspraak het nog maar. De ‘extase’ gaat in haar hemd gekleed en boek II is potloodmager, maar gepunt.” (VG aan JH, 20 maart ’66) In het gedicht ‘Heelal’ is deze door eindeloos schrappen bereikte ‘magere’ stijl goed zichtbaar. Van Geel voegde het als naschrift bij zijn brief van 9 nov ’64. Het werd later zonder titel gepubliceerd in Het zinrijk (1971).

Heelal

Het gesternte spiegelt
zich in het betraliede
meer waaraan gerimpelde
wind wanhopig rukt.

Najaar 1966 ontstaat een regelrechte crisis. Eind augustus heeft Van Geel de kopij voor zijn tweede bundel, naar eigen zeggen ‘beter dan spinroc en het volgende boek nog beter’, naar Van Oorschot laten brengen. In zijn brieven aan Herzberg van 1, 10 en 22 oktober raakt hij de wanhoop nabij, omdat Van Oorschot niets van zich laat horen, niet eens een bevestiging van ontvangst. “Ik ben voor Geert ‘niet toonbaar’, de snob in Geert kan met mij geen eer inleggen.” Toch probeert hij de teleurstelling voor zichzelf te relativeren: “Wat een gezeur om druk of geen druk. Beter is het boeken te schrijven, dan ze uit te geven. De druk is praktisch en maatschappelijk noodzakelijk: gewoon om in leven te blijven. Jammer.” Kort hierna is er opluchting: Van Oorschot heeft zo zijn bedenkingen, maar wil het boek toch uitgeven. De tevredenheid maakt echter al snel plaats voor nieuwe twijfel.  “Je ziet/merkt het huis is geverfd en mijn plezier aan de uitgaven heeft zijn eerste vernis al verloren. Het wordt tijd ze te beschouwen als uitgegeven. Als er niet gretig op gereageerd wordt is het alleen nog maar het afdoen van een plicht. Mij dichtbij genoeg om ze onuitgegeven-uitgegeven niet te verwaarlozen. (Een goed zelfgenoegzaam askeet vindt uitgeven eigenlijk onbetamelijk.) Ik kan het vierde boek afmaken en dan eindelijk eens doen waar ik zin in heb – als het lukt: niets – ophouden – alles herzien – liefst elders – met een minimum aan hinderlijk verleden.”

Het klinkt bijna als een doodsverlangen. Van Geel laat zich in zijn brieven kennen als een gedreven kunstenaar, die streeft naar het absolute, en zich enerzijds met zijn werk op eenzame hoogte plaatst, anderzijds twijfelt aan alles. Hij noemt zichzelf kluizenaar, mensenschuw. “Ik ben weer eens in een periode van het stelselmatig minder zien in mensen.” (14 sept ’64) “Ben ik alleen, wanhoop ik aan mezelf, ben ik met anderen, wanhoop ik aan hen.” (10 okt ’66) “Soms denk ik dat ik het leven leid van een gevangene, ik heb ook zulk kort haar, maar kom ik buiten (ik bedoel tussen mensen in de stad), ik slaak een zucht van verlichting weer terug in mijn cel te zijn.” (24 augustus 1968)

De onvrede die Van Geel op de buitenwereld richt, begint ook Herzberg te raken. “Wil je me op z’n minst een ansichtkaart sturen om te horen of mijn dikke brief (vol verzen) aangekomen is. Wonen jullie wel voor post bereikbaar?” (23 juli ’67) “Waarlijk, je staat Renate R. naar de kroon in schooljuffrouwelijk vliegen vangen. Ik zoek geen ruzie, ik wil alleen even hard/streng terugkaatsen als jouw slag aankwam. (balans = vergeten)” (10 oktober 1967) En in haar brief van 10 maart 1969 reageert Herzberg op het gedrag van Van Geel tijdens zijn bezoek aan haar en haar man: “Wel of niet tot ziens hangt van jou af”. Het wordt bijgelegd, maar de frequentie van de brieven neemt al snel sterk af. 8 maart 1974 overlijdt Van Geel, op 56-jarige leeftijd, in herstellingsoord Heliomare in Wijk aan Zee, waar hij lag na een operatie aan een tumor in zijn ruggenmerg.

Als recensent heb ik mij met genoegen door deze correspondentie heen geploegd. Vooral rond het verschijnen van Herzbergs debuut eind ‘64 en de crisis die Van Geel najaar ’66 doormaakte naar aanleiding van het dreigende mislukken van zijn dichterlijke project werd het spannend. Hierna zakt het behoorlijk in. Mede omdat de meeste brieven en kaarten die Herzberg schreef verloren zijn gegaan, komt het te weinig tot een uitwisseling van standpunten c.q. een gesprek over hun dichterschap. Brieven 1962-1974 geeft vooral een beeld van de persoon van Chr. J. van Geel, waarbij hij ook uitgebreid aan het woord komt over zijn visie op de poëzie. Zijn schrijfdrang in de brieven staat echter in schril contrast tot de uitgebeende stijl van dichten, die hem zo’n unieke plaats in de Nederlandse poëzie verschaft. Veel van het geschrevene gaat daarnaast ook over alledaagsheden die inmiddels weinig relevantie meer hebben. Ik vraag me daarom af, of deze nauwgezette uitgave nog veel toevoegt aan het in 2012 verschenen Ik ben een onderling onverzoenlijk ratjetoe, een keuze uit de brieven van Van Geel.

***
De uitgave van Brieven 1962-1974 is zeer zorgvuldig bezorgd door Marsha Keja. Er is geen selectie gemaakt: alle beschikbare brieven van CvG aan JH en vice versa zijn opgenomen. Waar nodig geeft Keja onder een brief toelichting, bijvoorbeeld over genoemde personen of gebeurtenissen. Zeker wanneer personen slechts bij een voornaam of bijnaam worden aangeduid is dit buitengewoon zinvol. De datering van de brieven in deze recensie is letterlijk overgenomen uit het boek. In navolging van Keja heb ik ervoor gekozen deze niet te veranderen, maar de door Van Geel en Herzberg gebruikte aanduidingen te laten staan.