Recensie van Hosanna dagen - Bart Chabot

Danse macabre

Bart Chabot
Hosanna dagen
Uitgever: De Bezige Bij
2018
ISBN 9789403106403
€ 17,99
108 blz.

De twintigste bundel van Bart Chabot, Hosanna dagen, is buitengewoon fraai verzorgd: een prachtige omslag van Anton Corbijn en een heel mooi binnenwerk van Aard Bakker uit Amsterdam. Op een zeer eenvoudige manier is een landschap ontwikkeld dat een wat troosteloze sfeer uitstraalt, een streep suggereert een verre horizon, twee kale bomen staan op de voorgrond. Het enige kleurige is het woord ‘Hosanna’ waarvan de H  rood is en er derhalve uitspringt.

Bart Chabot kan niet zo maar afgedaan worden. Iemand die zo vaak zich presenteert op televisie en optreedt op vele belangrijke literaire evenementen, die de officiële biograaf is van Herman Brood en twee goed ontvangen romans publiceerde – Triggerhappy en Easy street – verdient aandacht. Niet in het minst omdat in de Haagse Bodega de Posthoorn een vloeibare versnapering  naar hem is genoemd, die mij op een koude dag soms zeer warm maakt.

Chabot schrijft in een zeer weinig poëtische taal, feitelijk in alledaagse spreektaal. Dat deed Martinus Nijhoff ook, die zijn gedichten echter vaak laadde met iets dat aan het geheel iets magisch-realistisch gaf, dat weliswaar zich in het hier en nu afspeelde, maar als een schilderij van Carel Willink of Pijke Koch geladen werd met onlustgevoelens, waardoor het gedicht iets anders weergaf dan wat er letterlijk stond geschreven. ‘Lees maar, er staat wat er niet staat’, schreef Nijhoff. Schreef Nijhoff echter in een muzikale taal die hij smeedde in goed verzorgde en opgebouwde gedichten – niets voor niets heet een bundel van hem Vormen – de taal van Chabot is niet muzikaal, nauwelijks poëtisch. Hij schrijft zoals hij praat, springend en soms zelfs houterig terwijl de vorm onregelmatig en onvoorspelbaar is. In de gedichten van Chabot, die zich ook afspelen in het hier en nu, gebeurt ook iets met die werkelijkheid. Weliswaar is het reisdoel soms duidelijk en alledaags: ‘Ik moest op pad naar Hellendoorn / maar pakte mijn spullen of ik voorgoed op reis ging…’ of op pagina 93 : ‘Ik nam de ochtendtrein naar Hengelo / bijna tweehonderd kilometer ver van huis…’, maar de afloop van de verhalen is vaak absurd, wat deze recensent soms eerder aan The Raven van Edgar Allan Poe deed denken of de Fantastische vertellingen van dezelfde schrijver, maar tezelfdertijd ligt onder de morbide verhalen een bezinning op leven en dood, die soms tot ontroerende gedichten leidt. Soms gebeurt er tijdens zo een zich in het hier en nu afspelende monoloog iets spookachtigs: tijdens een afspraak met Filiz, ‘…een vrouw om van te houden / al kon je dat beter laten / mannen stonden voor haar in de rij / en achteraan aansluiten / zat niet in mijn systeem…’, die hij zal ontmoeten ‘in café dante in amsterdam / waar ik me sinds de dood van herman / brood niet meer had vertoond-je moet de goden niet verzoeken…’, glijdt er ‘…een wolk / aan het terras voorbij / een wolk met een lengte van zo’n zes meter / en drie meter hoog…’. Als de ‘ik’ met de ober over die wolk spreekt, zegt deze: ‘herman-zei hij-komt hier regelmatig / zo’n twee drie keer per week…’. Herman Brood is dus tot een spook geworden, zich manifesterend in een wolk. Dit beeld manifesteert zich regelmatig in een hier-en-nu dat verbonden is met een ontmoeting met een levende, mooie vrouw en de schim van een vriend.

De gedichten, met meestal de ‘ik’ in de hoofdrol, worden op de achterflap ‘monologen’ genoemd. Inderdaad zijn het meestal gebeurtenissen waarin  de werkelijkheid van Bart Chabot het verhaal kleurt en het onderwerp van het gedicht uitmaakt. Het zijn lange gedichten, te lang om in hun geheel te citeren. Er komen veel kerkhoven in voor, veel graven, veel doden en gestorven mensen (Herman Brood passeerde reeds in een wolk), maar de ‘ik’ springt ook in een graf, overgiet zich met benzine en steekt zichzelf aan, gaat vanuit zijn laatste rustplaats terug naar zijn voormalige gezin op Kerstmis, laat Robert in ‘Nattevinger-werk’ (pagina 68) een luguber, misschien wel gezellig spoor bij het graf van zijn moeder ontdekken, waarin vingers aangeven dat er communicatie is tussen twee graven. Als hij zelf wordt begraven – in het gedicht Salto Mortale (pagina 100) – gaat hem dit, na gereflecteerd te hebben op zijn begrafenis, na een tijdje vervelen: hij wordt geen wolk, als Herman Brood, maar:

… na een viertal weken vond ik het welletjes
hoogste tijd om op te staan
ik verliet mijn kist via de onderkant
die daarmee de bovenkant werd
zoals ik ooit achterste voren-
het hoofd eerst, dan pas de voeten-
was geboren
het deksel op de kist was vanaf nu de bodem
ik zakte niet weg in aarde en modder
maar steeg erin op, wat
voor een sterveling een afdaling zou zijn..

De gestorvene zakt naar het binnenste van de aarde, waar het steeds warmer wordt:

… ik kwam nu, in het binnenste
van de aarde, dicht bij het vuur
waar alles samenkomt en smelt
 en vloeibaar wordt

Nog even volhouden, tanden op elkaar,
 de laatste loodjes
en voortaan kon ik met de zijkant
van mijn hand, terwijl ik achteloos
een koprol deed,
een bergwand in tweeën splijten
water uit de rotsen slaan
en spelen met vuur

Ondanks de bijkans Bijbelse verwijzingen (bergwand in tweeën, water uit de rotsen) is het een absurdistisch gegeven, waarin zelfs enige zelfironie is te herkennen.

Bepaald  komisch en ironisch, zijn de ten gevolge van pillen ontstane ruimtereizen naar de maan en de planeet Pluto: de consequent volgehouden hier-en-nu situatie werkt bijna overtuigend, al is de ironie en vooral de zelfironie sterk aanwezig.

Het laatste wat ik over deze nogal absurde, soms geestige bundel wil zeggen is dat er drie gedichten in staan waarin Bart Chabot als de wat slordige Jules Deelderachtige dichter boven zichzelf uitstijgt en mij ontroert. En dat is iets wat ik niet had verwacht, deze absurdistische, grillige, fantasierijke gedichten lezend. Het betreft de gedichten ‘De vereffening’ over het sterven van de vader van de ‘ik’, wat soms wel heel emotioneel wordt (pagina 89), ‘Zoetwatermatroos’ op pagina 97, waarin ik iets meen te proeven van nostalgie om een voorbijgegane jeugd en het gedicht ‘Carla’ op pagina 51, waar ik even wat dieper op inga gezien het feit dat ik hier een heel zachte kant van Bart Chabot ontmoet.

‘Carla’ en de ‘ík’ eten in een clubhuis op een sportcomplex waar de kaarsen op tafel branden:

… het was een dag uit het boekje geweest
met een oktoberzon en dito hemel
 nul fout…

Het lijkt zo plezierig. Juist daarom ontroert mij het vervolg van het verhaal over en van de vrouw Carla die op krukken loopt:
  

ze vertelde dat ze ziek was
en me wilde spreken, liefst snel
zodoende zaten we hier
ik vroeg haar hoe het ging
-slecht-zei ze
-hoelang heb je te gaan? –
-nog even hoop ik
maar het is onduidelijk wat de artsen
voor me kunnen doen-
zo zat ze ook tegenover me,
  eindig …

Na anderhalf uur is het gesprek afgelopen en neemt de ‘ik’ voorgoed afscheid van haar:

.. het slot van een te kort verhaal hing
aanraakbaar tussen de takken-
in dit leven zouden wij elkaar niet meer spreken

Een eenvoudige zin ’krijg ik nog een kus van je’ maakt het afscheid bijna gewoon: alledaagse en oprechte taal. De dichter treuzelt met weggaan, hij wil haar niet voor een tweede keer gedag zeggen en de dame loopt op krukken. De laatste strofe sluit het afscheid af:

… daar ging ze
naar huis verderop
een anonieme flat op de anonieme hoek
van een anonieme weg
ze kwam bij de kruising
waar het onstuimig waaide
en de bomen kaal

Samenvattend herken ik in deze bundel Hosanna dagen de Bart Chabot van de performances. Het zijn absurdistische, ironische verhalen met soms verrassend zachte kanten, waardoor de poëzie een poëtische lading krijgt door de inhoud en soms door de vorm, die in de meeste gedichten grillig is. De tekst op de achterkant heeft gelijk: het zijn monologen.

Het lijkt me trouwens erg leuk om in Bodega de Posthoorn eens een verhaal van hem zelf te horen, omdat ik meen te herkennen dat de dichter al schrijvend heel dicht bij zijn eigen manier van spreken blijft, wat misschien het gedicht een andere kleur geeft als je het hoort..

***
Bart Chabot werd geboren in 1954. Hij is dichter, columnist, performer, literaire persoonlijkheid. Hij publiceerde 19 dichtbundels. Martin Bril stelde een bloemlezing samen van zijn werk: De bril van Chabot. Hij is de biograaf van Herman Brood en schreef ook een toneelstuk in 2016 onder de titel Chez Brood. Hij publiceerde veel proza, waaronder twee romans: Triggerhappy en Easy Street. Zo hij iets is, is hij een Hagenaar die na zijn poëtische ruimtereizen regelmatig de Haagse Bodega de Posthoorn frequenteert, waar zelfs een versnapering zijn naam draagt.