Recensie van De 100 beste gedichten van 2018 voor de VSB Poëzieprijs - Maaike Meijer en Anikó Daróczi

Engagement heeft vele gezichten en nieuwe ogen

Maaike Meijer en Anikó Daróczi
De 100 beste gedichten van 2018 voor de VSB Poëzieprijs
Uitgever: De Arbeiderspers
2017
ISBN 9789029516105
€ 10,00
144 blz.

‘Poëzie in nood – nood aan poëzie’ luidt de titel van het ‘Voorwoord’, waarmee de uitgave De 100 beste gedichten van 2018 voor de VSB Poëzieprijs opent. Het is een verwijzing naar de actuele situatie, waarin de poëzie zich bevindt en naar de opheffing van de VSB Poëzieprijs dit jaar. Joost Baars is met zijn dichtbundel Binnenplaats de laatste winnaar. Jammer, maar wil je dat poëzie zich blijft ontwikkelen en nieuwe uitdagingen zoekt, dan is het ook goed dat zo nu en dan een prijs verdwijnt en er een nieuwe prijs of een andere vorm van waardering voor terugkomt. Dat levert meestal ook een ander type laureaat op. Poëzie, de prijzen, de kritieken moeten vooral in beweging blijven.

Het ‘Voorwoord’ van deze selectie gedichten is een handzame leidraad voor de poëzielezer. Lezers die op de hoogte willen raken van de representatieve gedichten van 2018 krijgen een mooi beeld van wat er allemaal aan gedichten gepubliceerd is, hoewel de keuze van de gedichten natuurlijk een persoonlijke voorkeur is van de juryleden Maaike Meijer en Anikó Daróczi. Dit tweetal maakt aan de hand van (fragmenten van) een groot aantal gedichten duidelijk, waar het in de poëzie anno 2018 om gaat, zonder te vervallen in uitgesponnen theoretische beschouwingen of literair-historische benaderingen. Hun schrijfstijl is helder en direct. Er staat geen overbodig woord in deze inleiding. Poëzie als levensredder, als magische gebeurtenis, het belang van de zintuiglijke waarneming, het belang van de vorm, de vrijheid, het experiment en de vernieuwing, het komt allemaal langs.

De bundel is geen boek dat je van voor naar achteren leest. Het is meer een bladerboek, een bundel om even ter hand te nemen, er enkele gedichten in te lezen en daarna weer weg te leggen. De lezer moet zich laten verrassen, ongeacht tijdstip en plaats. Wanneer er van een dichter in dit poëzieoverzicht enkele gedichten uit een bundel zijn opgenomen, dan krijgt de lezer sneller een beeld van thematiek en stijl, dan wanneer er slechts één gedicht is opgenomen. Dat zegt overigens niets van de kwaliteit, want een gedicht als ‘De luit van mijn oom’ van Abdelkader Benali is de moeite van het lezen waard. En ook ‘Nimfje in het wit’ van Jacques Hamelink, een ‘schrikgerucht’ over de dood van de Tilburgse ‘Marietje Kessels hinkelmeisje van tien’ en de daaraan gekoppelde ‘gelofte van zwijgen’ aan de familie, die door de Rooms-Katholieke kerk werd opgelegd, is fraai. Bijzonder is ook de Europese geschiedenis in een notendop van Joke van Leeuwen. Een reeks oorlogen, veldslagen en veroveringen met de woorden ‘en’ en ‘toen’ als een historische halssnoer aan elkaar geregen, die als volgt begint:

Karel de Grote trok vijfenvijftig keer ten strijde daarna vochten Lodewijk de Duit-
ser Karel de Kale en Lotharius om hun grondgebied toen kwamen de Noormannen
en plunderen de hele boel toen was er oorlog  tussen het Heilige Roomse Rijk en
Lotharingen toen begonnen de kruistochten toen won Vlaanderen de Guldenspo-
renslag en het leger van Gelre rukte op naar Brabant en het leger van Jan zonder

En zo gaat haar poëtische geschiedenisles nog even verder. De droge feiten uit de vaderlandse geschiedenis zullen de lezer bekend voorkomen, soms alleen de namen zonder dat hij precies weet wie tegen wie vocht of wat de historische achtergrond van een confrontatie was. Het gedicht krijgt iets van: het houdt nooit op. Het einde is een opvallende paradox:

en de schoolstrijd en de Vlaamse strijd en de uitbuiting van Congo en de Groote
Oorlog en de Tweede Wereldoorlog en toen werden we welvarend en heel bang.

Maaike Meijer en Anikó Daróczi groeperen dichters in hun inleiding en dat geeft houvast aan de lezer. Deze weet ogenblikkelijk dat hij de bijbehorende gedichten – als hij dat wil – vanuit een bepaald perspectief kan lezen. In de poëzie van Myrte Leffring, Charlotte Van den Broeck en Marije Langelaar staat de vrouw centraal, met aanverwante onderwerpen als liefde, moederschap, scheiden en verlies. De inleiders spreken van ‘innerlijke transformatieprocessen’ en ‘Woorden zijn manieren om te transformeren en uiteindelijk zichzelf te bevrijden.’ Ook zetten Meijer en Daróczi geëngageerde dichters bij elkaar. Elly de Waard dicht over de MH17, met een openingszin die de lezer meteen op zijn plaats zet: ‘Overal een mening / over hebben mag – / maar val ook stil’. Jana Arns dicht over asielzoekers (‘Ik haal geld uit de muur / en geef het aan de vluchteling die erover klom.’) en de scherpe tegenstelling rijkdom-armoede, die de lezer een ongemakkelijk gevoel geeft, staat als een huis. Anne Vegter schrijft naar aanleiding van de aanslagen op 13 november 2015 in Parijs ‘Het monster van de angst’, een gedicht dat sterk doet denken aan het milieugedicht ‘Tegen de ketterij der straaljagers’ van Guillaume van der Graft uit de bundel ‘Vogels en vissen’ (1954). De eerste zes versregels luiden:

kom vanavond uit je huizen
tien keer honderd, duizenden
slecht vanavond alle grenzen
sluit je aan bij al die mensen
die verhalen van hun harten
die op zaterdag verschroeiden

In dit activerende gedicht worden de eerste twee versregels tweemaal herhaald net als het openingsvers ‘Laten de vogels protesteren’ in Van der Grafts gedicht, waar deze regel in verschillende varianten achtmaal voorkomt. Overigens verbinden Meijer en Daróczi engagement niet alleen aan concrete gebeurtenissen. Bij hen krijgt het begrip engagement een ruimere betekenis. Ze geven veel voorbeelden van gedichten die ook als geëngageerd beschouwd kunnen worden.

In ‘Nieuwe ogen inzetten’, het laatste deel van hun ‘Voorwoord’ gaan de samenstellers van De 100 beste gedichten van 2018 voor de VSB Poëzieprijs in op wat een belangrijke functie van de poëzie is: het leven in zijn verschillende fasen van binnenuit beschrijven en tegelijkertijd de grenzen van de poëzie voortdurend verleggen. Dit deel van het ‘Voorwoord’ bevat nog een andere indeling van de dichters, een driedeling: (1) de ‘éminences grises’, zoals Cees Nooteboom, Armando, Jacques Hamelink en Hans Tentije, (2) de iets jongere Pieter Boskma en Joke van Leeuwen en de minder bekende Martin Reints en Gerry van der Linden en tot slot (3) de nieuwe experimentele en hermetische dichters, die steunen op de oudere poëten, zoals Piet Gerbrandy, Anne Vegter, Micha Hamel, Joost Baars en Bart Janssen. Komt hiermee het denken in generaties als indelingscriterium terug? Nee toch? Ik kan althans geen inhoudelijke of vormovereenkomsten ontdekken tussen de dichters die in de verschillende groepen vertegenwoordigd zijn. Gezamenlijke poëtica’s zijn afwezig. In deze tijd van individualisme zijn er hoofdzakelijk individualistische dichters te vinden, met hun eigen opvattingen over hun eigen poëzie en soms die van anderen. Laat het ladekastje maar dicht, zou ik zeggen.

Natuurlijk kom je in deze rijke bloemlezing dichters tegen, waarvan je vindt dat je er meer van moet gaan lezen. Ik ken de dichter Jos Versteegen als een dichter van de eenvoud, de ogenschijnlijke toegankelijkheid, van breekbare subtiliteiten. Versteegen interviewde mensen in een verzorgingstehuis en verwerkte hun verhalen in Woon ik hier, een dichtbundel die me meer dan de moeite waard lijkt. Hij is op een eigen persoonlijke wijze geëngageerd en heeft een opmerkelijke blik op de werkelijkheid. De laatste strofe van ‘In de natuur’ loopt van een nuchtere constatering van de ik-figuur naar een ontroerend slot:

‘Ik heb een nieuwe heup, ik kijk naar buiten,
mijn man gaat naar de winkel,
alleen voor mijn cyclamen zorg ik zelf,
en voor de hyacinten.
Laatst zag ik op de hoek van ons balkon
een duivennest, wat takjes,
daar lag zo lief en wit een eitje in,
dat heb ik opgegeten.’

***
Maaike Meijer was tot haar pensionering in 2013 hoogleraar genderstudies in Maastricht en directeur van het Centrum voor Gender en Diversiteit. Haar aandacht gaat uit naar onderwerpen als leestheorie, gender in het literaire systeem, poëzie, cultuur en migratie. De publicatie M. Vasalis: een biografie, die in 2011 op de markt kwam, was zeer succesvol. In 2018 verschijnt van haar, samen met Joost Kircz een biografie over F. Harmsen van Beek.
Anikó Daróczi studeerde Engelse, Nederlandse en Duitse taal- en letterkunde in Boedapest. Zij specialiseerde zich in de literatuur van de Middeleeuwen. In 2005 promoveerde zij aan de KU Leuven met het proefschrift Spreken, zwijgen en zingen bij Hadewijch. Zij werkt als hoofddocent Neerlandistiek aan de Károli Gáspár Universiteit te Boedapest.