Recensie van Drieëntwintig tips om de hond en je demonen aan de lijn te houden - Runa Svetlikova

Hoe overtref je een schitterend debuut?

Runa Svetlikova
Drieëntwintig tips om de hond en je demonen aan de lijn te houden
Uitgever: Marmer
2018
ISBN 9789460683817
€ 15,00
47 blz.

Voor Deze zachte witte kamer ontving Runa Svetlikova (1982) de Herman de Coninckprijs voor het beste debuut,  de Jo Peters Poëzieprijs en de Europese Bridges of Struga debuutprijs. Schrijf dan maar eens een even goede tweede bundel! Het is haar gelukt: Drieëntwintig tips om de hond en je demonen aan de lijn te houden en een postscriptum is misschien zelfs beter.

De titel is intrigerend en raakt misschien de kern van haar dichterschap: houd je demonen en honden aan de lijn, omdat ze anders met je op de loop gaan, maar verberg ze niet, want dat zou het einde kunnen betekenen van dat dichterschap.
De bundel begint met een prozagedicht: ‘Het is de griep niet’. De eerste zin luidt: ‘Als je vingertoppen niet te vertrouwen zijn, je niet meer gelooft wat je oren je vertellen, alleen nog ziet dat je niet ziet, niet ruikt dat je denkt te moeten ruiken en zelfs je smaakpapillen liegen – dan is het de griep niet.’ Nee, het zijn de honden en demonen die zij in nog tweeëntwintig tips uiteindelijk weet te temmen. Dan volgt de opluchting en die voelt onder andere zo: ‘Zoals je na de griep eindelijk weer opstaat en geniet / dat je niet meteen weer moet gaan liggen zoiets’. De laatste tip, waaruit deze regels afkomstig zijn, heet: ‘Strijk alle eer op’. Terecht, na die strijd (en zulke gedichten) mag je trots zijn. In ‘Postscriptum’ volgen de conclusies, die je ook weer als tips – of voornemens – kunt zien, zoals: ‘(…) Laat ons vooral // dichter blijven en doen waarmee we niks bereiken / behalve misschien morgen. (…)’. Doen waarmee je niks bereikt, het lijkt weinig, maar dat is het niet als je de laatste twee zinnen leest: ‘Laat ons een eiland van echt zijn / in een zee diarree.’ Ondanks de stank van wat je omringt: een eiland van echt. Eind goed, al goed? Ik vermoed van niet. Het meervoud ‘ons’ geeft de voornemens iets bezwerends.

Er zijn veel demonen en honden die je (in casu de dichteres) aan de lijn moet houden, zoals ‘het gapende ding in je binnenste’,  ‘zo van die trage dagen waarop succes gewoon een ander soort / mislukken schijnt’, datgene wat kapot is, de wereld, het monster dat in elke mens huist, onmogelijke liefdes, de angst voor het onbekende en tegelijkertijd de hunkering daarnaar.
Ze moeten worden benoemd  en dat lijkt een belangrijke drijfveer voor haar poëzie:

        GEEF WAT KAPOT IS EEN NAAM

Help dit ding waarin je verstrikt zit, het oeverloze opstaan
en gaan slapen, onweerbare kindertjes, iedereen
die aan je enkels hangt en alles wat moet dat moet

naar de andere wereld. Beter gewoon boterhammen blijven
smeren waarschuwt het ding. Vergis je niet, het heeft geen zin
er op je verraderlijk krakende tenen omheen

te blijven dansen uit angst het te wekken met een humeur
zoals dat van jezelf op een doorsnee ochtend. Het ding barst toch
misschien razend als je je mes in de boter steekt misschien

scheurt het in alle stilte. Geef als een weervrouw
op het droge het ding een naam. Nu alleen
nog even in de strontvloed recht blijven staan.

Maar hoe bedreigend die demonen kunnen zijn en hoezeer angst in deze bundel een rol speelt, de bundel is niet loodzwaar. Humor – een tegenwicht – speelt een belangrijke rol. Dat begint al bij de disclaimer: ‘Honden noch demonen werd schade berokkend tijdens het schrijven van deze bundel. Tenminste niet door mij, tenminste niet expres.’ Het prozagedicht ‘Fuck de tienvingeroefening’ begint hilarisch: ‘Je drinkt lang uitgestelde koffie met een vriendin ze zegt als ik me kut voel doe ik de tienvingeroefening voor het slapen, je verslikt je in je latte maar het heeft gelukkig niets met fistfucking te maken daar is ze veel te braaf voor.’ Tel je zegeningen, daar gaat het om. De dichteres komt zelf tot elf, maar werpt dat gedoe vervolgens geïrriteerd van zich: ‘en dan denk je fuck die tienvingeroefening een kutdag mag.’ Weg met die terroristische leefregel van het verplichte dagelijks geluk.  

Svetlikova heeft een volstrekt eigen geluid, zowel naar vorm, verbeelding als inhoud. In een aantal gedichten maakt ze een zeer spaarzaam gebruik van interpunctie en door de combinatie van het ritme en (soms halve) zinnen die binnen een regel beginnen, krijgt het beschrevene iets gejaagds. Soms lijkt er zelfs sprake te zijn van paniek, zoals in ‘Suicide by Microwave werkt alleen in de film’, wat nog wordt versterkt door de herhalingen:

Je vergist je: het gillen op de kast dat zijn de bloemen
niet bloemen gillen niet ze dragen een kroon een kelk

ze hebben een bodem net als jij en stempels maar geen
stem. Bloemen dwingen niet het zijn gewoon

stervende stukjes flora je zet hen in een vaas
nadat je de folie wegsmeet zorgvuldig scheef de eindjes

van de stelen sneed voeding in het water deed en alles
alles netjes schikte. Bloemen eisen geen ik ook van jou

bedoelen niet word snel weer beter zodat we zoals altijd
op café en jij dan eindelijk wat je beloofde bloemen
zeggen niet proficiat je doet het goed maar

haal nog iets dieper
adem luister dat gegil
het zijn de bloemen niet.

Uiterlijk een vredig huiselijk tafereeltje, maar wat een gillende paniek zien we daaronder. Ik heb dat niet vaak zo effectief verwoord gezien.

De dichteres verkeert regelmatig in verwarring en laat de lezer die meebeleven. Zo gebruikt ze effectieve  enjambementen waarmee ze je op het verkeerde been zet: ‘Als het over de liefde gaat, neem dan goede raad aan / van niemand’, schrijft ze in ‘Maak je eigen fouten’.
Die verwarring ontstaat ook door de ambiguïteit van woorden. In ‘Mijd het nieuws op dagen die kapot zijn’ is de raadgeefster op de vlucht voor het grote leed, maar het kleine kan ze niet vermijden. Als een eigentijdse Maria biedt de kassière Agnieszka troost:

Als het nieuws zegt dat alles kapot is reken dan
op Agnieszka, je kent haar alleen achter de kassa
Agnieszka weet hoe de wereld te groeten
de oude man die met klem niet op straat woont
de junk, zweer op kaak, kaas onder oksel.

Agnieszka groet artritis, bronchitis
flebitis van moeders ze groet dus ze leeft, spreekt stil
van onverkochte pistolets tegen de vader van zeven
alleen Agnieszka kent alle namen en jij hebt
alles wat je nodig had: nog even.

De angel zit in de laatste twee woorden: ‘nog even’. Wat betekent dat precies? Ik heb Agnieszka nog maar eventjes nodig, want het gaat beter met me? Of: nog even en ik duik de duisternis weer in? En hoe zit het met ‘Agnieszka weet hoe de wereld te groeten’ en die verwijzing naar Descartes? (‘ze groet dus ze leeft’). En ook kent ze ‘alle namen’, in tegenstelling tot de dichteres – hoe erg moet het zijn? Zij weet de wereld kennelijk niet te groeten, met alle gevolgen van dien. De wereld is onherbergzaam en de dichteres krijgt er geen vat op.
Nog een mogelijk middel om verwarring te wekken. Titels en opgegeven pagina’s in de inhoudsopgave – de ‘Volstrekt vrijblijvende (maar logische) chronologie’ – kloppen niet: het eerste gedicht zou op pagina 15 moeten beginnen, maar in werkelijkheid is dat 11. Dat verschil van vier pagina’s wordt de hele bundel door volgehouden en daarom raak je aanvankelijk in verwarring als je een gedicht wilt opzoeken. Of is er in het productieproces gewoon iets fout gegaan? Mogelijk, maar dan is het een niet gezochte vondst.

Runa Svetlikova schrijft niet over angst, paniek en verwarring, ze laat de lezer die meebeleven. Maar ze laat je niet in verwarring achter, daarvoor is haar poëzie te sprankelend, eigenzinnig en humoristisch. Ook deze bundel verdient een prijs.