Interview met Lies van Gasse

In taal trek ik schuiven vol beelden open

 

Lies van Gasse (1983) is dichter, beeldend kunstenaar en leraar. Ze schreef de bundels Hetzelfde gedicht steeds weer, Brak de waterdrager en Wenteling . Met Brak de waterdrager won ze de prijs van de provincie Oost-Vlaanderen voor poëzie, met Wenteling werd ze genomineerd voor de Pernathprijs. Onlangs verscheen haar jongste bundel Wassende Stad.

Je bent dichter, beeldend kunstenaar en leraar. Je biografie gaat terug tot je debuut bij de Wereldbibliotheek in 2008. Ik vraag me af wat je voor die tijd deed, hoe ontwikkelde jij je als schrijver en kunstenaar tot dat punt van uitgegeven worden?
Als kind maakte ik al boekjes uit oude agenda’s die ik van mijn grootvader kreeg. Ik schreef daar dan verhaaltjes en gedichten in en illustreerde die. Schrijven was eigenlijk niet iets waar ik me heel bewust van was, maar ik heb het altijd gedaan. Vaak kon ik situaties redden door bijvoorbeeld met een mooi geschreven antwoord te verdoezelen dat ik maar een stuk van mijn toets had geleerd. Ik herinner me dat ik op het einde van het middelbaar gedichten schreef onder elk examen. Ook het tekenen was er altijd al; dat is iets wat ik van mijn vader heb meegekregen. Ik ging naar de academie, waar ik een paar inspirerende leraren heb gehad. Maar eigenlijk was voor mijn achttiende het enige waar ik écht voor gekozen heb, de muziek – en die heb ik dan, oh ironie, toch een beetje laten vallen.
Een van mijn jeugdvrienden omschreef mij enkele jaren geleden als een stille, of was het zachte, anarchist. Dat is ook wel zo. Ik was heel actief bezig om net buiten de lijntjes te kleuren, maar omdat ik wel slim genoeg was om op studiegebied mee te kunnen, viel dat nooit zo heel erg op. Mijn ouders schrokken dus nogal toen ik een kunstopleiding wilde gaan doen. Ik ben Illustratie gaan studeren in Sint Lucas. Toen ik afstudeerde, wist ik niet meer goed welk soort beeldend werk ik wilde doen. Ik had een job nodig en deed veel moeilijke, slecht betaalde baantjes. Tussendoor stuurde ik mijn gedichten naar uitgevers. Gelukkig pikte Wereldbibliotheek me op. Die eerste bundel heeft me toen echt wel op de rails gezet.

Er wordt wel gezegd dat een vis uit een kleine vijver groter groeit als hij in een grotere vijver terecht komt. Uiteraard zijn je successen het resultaat van de kwaliteit van je werk; tegelijk vraag ik me af: heeft het groter worden van de vijver een betere dichter van je gemaakt?
Dat vind ik een moeilijke vraag. Ik heb niet het gevoel dat de vijver zoveel groter is geworden, al is dat objectief gesproken natuurlijk wel zo. Het is waar: in plaats van één bundel werden het er meer, café-optredens zijn veranderd in internationale festivals, prijzen voor een gedicht werden prijzen voor een bundel… Maar als ik vanuit het schrijven kijk, betekent dat eigenlijk niet zoveel. Wat blijft, is die kwetsbaarheid bij alles wat je maakt. Ik ben dit jaar tien jaar uitgegeven als dichter en nog steeds vraag ik me bij alles wat ik naar mijn uitgever stuur af wat hij ervan zal vinden.
Natuurlijk krijg je meer ontwikkelingskansen. Ik heb heel wat inspiratie gehaald uit bijvoorbeeld residenties die ik gedaan heb. Dat is ook een gevolg van een volwassener auteurschap. En ik krijg de kans om met prachtige mensen samen te werken. Zo heb ik veel geleerd van Hans Groenewegen, die mij bij mijn debuut begeleidde, en later van Matthijs De Ridder en Dirk De Geest. Annemarie Estor en Peter Theunynck bijvoorbeeld zijn zeker van belang geweest in mijn ontwikkeling, maar ook kleinere samenwerkingen, zoals die met Tsead Bruinja voor Duplex, of die met Helen White en Luc Fierens (voor een project dat nog in de steigers staat) hebben zeker hun stempel op mijn ontwikkeling gedrukt.

Hoe verhouden je schrijven en je beeldend werk zich tot elkaar?
Ze vullen elkaar aan, op alle gebied. In het schrijven kan ik misschien meer de ratio kwijt en in het tekenen het gevoel, hoewel dat ook niet helemaal klopt. Zoals er wel eens gezegd wordt dat mijn tekeningen vrolijk en uitbundig zijn en mijn gedichten zwaarmoedig. Ik ben het daar niet mee eens. Voor mij zijn beide kunstvormen onvolkomen, en daarom worden ze elkaars open plek. Wat ik niet kan tekenen, zal ik schrijven en waar de woorden tekortschieten, is een kalligrafische lijn soms heel mooi op zijn plaats.

Je bent jurylid van de Turing-gedichtenwedstrijd. Hoe ervaar je het om gedichten van anderen te beoordelen? Wat kenmerkt volgens jou een goed gedicht? Waar ben je naar op zoek?
Ik vind het heel erg moeilijk om in zo’n jury te zitten. Het is een beetje dubbel. Er wordt gezocht naar een goede dichter, naar vakmanschap. Je ziet daarom veel doorslagjes van of zelfs regelrechte imitaties. Wat ik zelf graag zou vinden, is de vonk. Ik ben op zoek naar iets nieuws, iets dat fris is, authentiek. En dan mogen daar voor mij fouten in zitten. Aan fouten kan gewerkt worden, maar aan dat eigene niet. Je hebt het of je hebt het niet.

Mij valt de scherpte van je gedichten op, de vindingrijkheid. Ik krijg de impressie dat je heel goed kunt observeren, zowel binnen- als buitenwereld. Doe je iets om die scherpte te trainen, kan dit ‘oog’ worden aangeleerd of is het een aangeboren kwaliteit?
Ik ben niet alleen dichter. Ik ben, vaak tot mijn eigen frustratie, ook nog honderd andere dingen: wandelaar, kok van dienst, tekenaar, ontwerpster van geboortekaartjes, leraar, collega, bloemenplanter, geliefde, burger, tooghanger… In elk van die rollen overkomen mij zoveel verschillende zaken, die materiaal bevatten voor gedichten. Mijn leraarschap bijvoorbeeld: ik merk nu pas, na jaren, hoe mijn leraarschap mij zoveel heeft getoond, mij een bepaald inzicht heeft verschaft in types mensen, mij in gebouwen, in andere steden en dorpen heeft laten terechtkomen. De wil om te kijken heb ik altijd al gehad, maar ik voel de laatste tijd wel dat die door mijn ervaringen is aangescherpt.
Natuurlijk heeft ook dat in zekere zin met mijn beeldende opleiding te maken. Als je tekent of schildert, vertrek je eigenlijk altijd vanuit een waarneming. Ik teken bijvoorbeeld vaak uit mijn hoofd, maar in feite gaat daar een enorme geschiedenis van schetsen en waarnemingstekenen aan vooraf, waarbij ik al die verwerkte indrukken heb opgeslagen in een soort visuele databank. Ik denk soms dat hetzelfde is gebeurd in taal: dat ik naast die visuele databank ook een paar schuiven vol beelden-in-taal kan opentrekken die ik ooit heb geregistreerd, maar die met de jaren zijn vormgegeven tot kleine clusters van beelden.

In de Poëziekrant verscheen een artikel over je samenwerking met Charlotte van den Broeck , waarin geschreven staat: ‘Van Gasse verwerkt de geboorte van haar baby’. Op facebook noemde je dit vervolgens een eendimensionale interpretatie. Je schrijft: ‘ is poneren dat het enkel over moederschap gaat niet gewoon een ouderwetse manoeuvre om niet over je werkelijke dichterschap te moeten schrijven?’ Hoe omschrijf jij jouw ‘werkelijke dichterschap’ in deze context?
Ik was heel erg lastig toen ik dat artikel zag. Ik begreep het ook niet. Hoe kon mijn bijdrage zo in één zin samengevat worden, terwijl de desbetreffende gedichten toch ook zoveel meer zijn dan dat? Zo zit er bijvoorbeeld een gedicht bij dat mij heel dierbaar is en waarin ik het heb over de dood van mijn grootmoeder en mijn zus die terwijl zij ziek was in haar huis is gaan wonen en er een baby heeft gekregen. Dat lijkt mij toch iets heel anders. En er staan ook gedichten in die meer filosofisch van aard zijn, die het over dat soort stad hebben dat Beernem is: de stad waar je beter niet blijft om je verder te ontwikkelen.
Toen ik die zin las, voelde ik mij heel erg aangevallen. Je moet weten, ik kom uit een groot gezin met zes kinderen en ik heb thuis gezien welk gewicht een gezin kan hebben op de eigen ontplooiing. Ik moest mij daar echt van losscheuren. Toen ik zelf zwanger was, had ik daar veel zorgen over. Zou ik nog wel kunnen schrijven? Zou ik tijd hebben? Zou het mij niet te veel veranderen? Zo’n zin komt op dat moment als een slag in je gezicht. Terwijl het eigenlijk gewoon een vorm van seksisme is. Als vrouwelijke dichter word je met zo’n zin gewoon afgeserveerd als schrijver en naar de keuken gestuurd.
Nu is die oorspronkelijke woede al wat gaan liggen en intussen heb ik hier ook wel andere ideeën over. Een kind schudt je wereld danig door elkaar. Natuurlijk verandert je dat. De vraag is alleen of dat negatief hoeft te zijn. Ik merk op veel vlakken dat het ook voor verdieping heeft gezorgd. Ik begrijp nu veel beter die laag van ouderschap die veel mensen dragen en zie mijzelf ook meer als dochter-van; ditmaal niet op een afhankelijke manier, maar als een voortdurend in verbinding staan. Daar wil ik nog wel eens wat mee doen. En hoewel het natuurlijk energie vreet, geeft het prille ouderschap je ook een creatieve boost. Ik wou dat iemand mij op voorhand had verteld hoeveel je meeleeft met zo’n kleintje, en welke gevolgen dat voor je eigen ontwikkeling heeft. Het is lang geleden dat ik zo veel en zo argeloos heb geknutseld, heb zitten voelen aan materialen, bewegingen heb gezien en nagedaan, gezongen, blaadjes heb verzameld in het park… Het maakt je weer ontvankelijk voor die kleine dingen, die in ons dagelijkse doen soms naar de achtergrond verschuiven, maar die volgens mij belangrijk zijn voor ons menszijn én ons kunstenaarschap.

Heb je al een voorstelling van wat je zou willen doen op artistiek gebied om aan jouw visie op het thema van ‘die laag van ouderschap’ uiting te geven?
Nee, dat heb ik niet echt. Ik ben wel een periode wat aan het tekenen geweest rond dat thema, en heb een paar dagboekachtige gedachten uitgeschreven over de confrontaties tussen moeder en dichter in dezelfde persoon. Boeiend materiaal denk ik, maar er moet eerst nog wat tijd overheen. Misschien een soort graphic poem ooit, wie weet!

Wassende stad leest als een stadswandeling door het intieme bewustzijn van het lyrische ik. De stad komt tot leven in de gedichten en vormt met de personages een organisch geheel. De stad, de gedichten komen mij hierdoor ook dynamisch voor. Bewegen en leven de gedichten door? Veranderen ze in jou of blijven ze kloppen op het papier?
Het is grappig dat je dat schrijft, want naar aanleiding van die vraag ben ik momenteel een onderzoekje aan het doen rond een aantal thema’s, waarrond ik dan notities maak in functie van een bundel. Het is bijna mijn doel om die notities zo lang mogelijk levend te houden, vooraleer ik ze vastleg. Echte gedichten hoeven het voor mij ook niet te worden. Ik vind dat wel boeiend, die onafheid, dat voortdurend in vorming zijn van tekst en taal.

In welke projecten ben je nu verwikkeld en wat plan of droom je nog voor de toekomst?
Heel concreet ben ik momenteel veel bezig met onze podcast Boeken Toe en met een jeugdboek dat ik illustreerde op basis van een tekst van Peter Theunynck. Het gaat Oma is kwijt heten en wordt een geïllustreerde, poëtische tekst over dementie voor 8- tot 12-jarigen. Er zijn ook minder afgewerkte plannen, gelukkig. Zo ben ik proza aan het schrijven en dat gaat de goede kant uit. Ook droom ik ervan nog eens een graphic poem te maken en te publiceren, een heel beroemde dichter te strikken voor Zwemmen met schrijvers , op de Bahama’s te gaan optreden met De Harde Marge (Jan Klug, Tsead Bruinja, Tonnie Dieleman, Frank Keizer, Els Moors en ik), een kledinglijn uit te brengen met mijn kalligrafische tekeningen, een nieuwe graphic novel te maken met Peter Theunynck en uiteraard zelf ook wereldberoemd en dolgelukkig te worden. Werken, werken, werken!