Gedichten

door Astrid Arns (1960), Jana Arns (1983), Frouke Arns (1964)

Astrid Arns

Kind

Je loopt op een lijn op het strand en de wind wist je uit.
Onder je jas je krimpende huid.
De tijd komt tot stilstand op de golven.

Je hurkt op het bevroren zand en wacht.
De grond verdraagt maar moeizaam je gewicht.
Je ziet een schip dat schuim trekt in het water dat zo gulzig is.

Je proeft het zout in de vochtige lucht en denkt terug
aan het kind op je heup.
Net geen zomer en zij zingt voor zeilers en matrozen.

Ze lacht van oor tot oor terwijl jij rondvliegt als een adelaar.
Kort het geluid van sneeuw, de kleine stappen van haar voeten.
Niets is ooit voorbij of stil.

Nostalgie

Er woont een meisje in me met een smal gezicht.
Ik proef de woorden op mijn tong die zij vergat te spreken.

Wij dragen hetzelfde rood.
Schrijven onze naam in het stof van de vensterbank.
Er is geen plek waar zij niet is. Zij waait me schoon
en houdt de ramen open in mijn hoofd.

Ik laat haar mijn lege handen zien.
Ik wil haar troosten voor wat komen gaat.

Jana Arns

Het huwelijk

Het huis werd om ons heen gebouwd.
Met potten verf naast het bed
kleurden wij hier dromen in.

Kasten gevuld met lege flessen
voor als we niets wilden drinken.
We hadden niet veel,

niet veel nodig.
Maar ook een grote mensentand
komt wel eens los te zitten.

Tussen muren van glazuur,
een wisseling van woorden.
We kluiven op restanten,

knarsen op ons kunstgebit.
We vernieuwen het meubilair.
Mogelijk elkander.

Uit: Nergens in het bijzonder, uitgeverij P, 2018

Donderdag

is als een slecht weerbericht.
De paraplu is overspannen.
Het nieuws lekt door het scherm:

kind met gebroken arm,
man met wankel huwelijk,
spitsuur in eigen huishouding

en jij:
dubbel geparkeerd in mijn hoofd.
Ik schrijf geen boete uit,

ben geen dichter die moet bekennen
dat wij tegen de richting in sliepen
op een donderdag als deze.

En hoe daar niets op rijmde.
Nee, ik wacht tot een andere bui.
Jij trekt wel over.

Frouke Arns

Plattegrond

Berlijn was jong aan haar oevers, het bier liep over straat.
Op een bank zat een vrouw te bellen, haar vlees hing
aan alle kanten over, haar stem kristalhelder in de nacht.
 
Ik werd aangesproken in het Spreepark door een Penner
die me wegwijs wilde maken; in ruil daarvoor hield hij zijn hand op.
Bij Zenner dansten dames met watergolven zich terug hun jeugd in.
 
Blote heren lagen in het Tierpark op beladen gras. Augustus, de stad was open-
gebroken en klam, overal resten van muur en wespen. Eentje stak;
ik voelde het gif de hele nacht gonzen.
 
Later zag ik hoog vanuit de koepel wat de stad niet prijsgeeft
-sprakeloos lag zij aan mijn voeten- van scheiding geen sprake.
Wolken dreven de dag uiteen.
 
Bij het monument
had iemand gevraagd wat het gekost heeft en
iemand had geantwoord: miljoenen.

Met distantie heeft dat niets te maken

Op een Rastplatz vraagt een lifter
naar je reisdoel, op zijn bordje staat Irgendwo.
De kuiltjes in zijn wangen doen je denken aan golven, aan kust.

Om ergens te komen zul je eerst moeten vertrekken.
Je hebt geen idee van destinatie, dus neem je hem mee.
Duitsers fietsen anders, zegt hij, ze geven

korte rukjes aan het stuur alsof ze de verte
naar zich toe willen trekken. Ze hebben Fernweh,
hun afstanden zijn groter, net als hun woorden.

Het zijn carnivoren;
wat zegt dat over oude koeien,
het steeds weer herkauwen.

Zijn lach verkort de tijd; op het kruispunt
laat je hem gaan. Hij verdwijnt in je buitenspiegel
naamloos, wie weet heet hij Wolfgang.

Je bewaart nog altijd de post-it die niet wilde hechten
met daarop: Irgendwie bist Du süß.
Misschien spraken jullie elkaars taal.