Recensie van Domo de Poezia. Bouteilles à la mer. Flessenpost. Flaschenpost - Laurence Vielle

Gedichten als misthoorns

Laurence Vielle
Domo de Poezia. Bouteilles à la mer. Flessenpost. Flaschenpost
Uitgever: PoëzieCentrum / maelstrÖm reEvolution
2018
ISBN 9789056553777
€ 20
194 blz.

Nadat Charles Ducal in 2015 de gedichten uit zijn periode als ‘dichter des vaderlands’ heeft gebundeld onder de titel Bewoond door iets groters (zie Meander), is nu Laurence Vielle, ‘poétesse nationale de Belgique’ in de periode 2016-2017, aan de beurt met haar bundel Domo de Poezia. De gedichten zijn vertaald in de twee andere landstalen, en het is opnieuw een poging om poëzie dichter bij het publiek te brengen. Het is een mooi initiatief, maar de titel ‘dichter des vaderlands’ is naar mijn smaak barok en verengt (onbedoeld) de grenzen. België is geen natie, het is zelfs geen samenvoeging van drie naties, maar een geografisch geheel dat op basis van een maatschappelijk contract de samenleving van de verschillende bevolkingsgroepen probeert te bevorderen. In dat maatschappelijk contract is bepaald dat er drie ‘nationale’ talen zijn: het Duits, het Frans en het Nederlands. Het zou mooi zijn, mochten de volgende dichters als ‘Belgisch ambassadeur van de poëzie’ de taak op zich willen nemen. In navolging van Louis Paul Boon geldt ook voor mij: mijn ‘vaderland’ is een land waar het goed is, waar liefde een kans krijgt en waar kinderen samen harmonisch kunnen opgroeien.

Intussen is een nieuwe dichteres aan de opdracht begonnen: Els Moors. Zij heeft beloofd op zoek te zullen gaan naar een ambassadeur in de Duitstalige kantons. Echt nodig, want na een Nederlandstalige en een Franstalige dichter had ik een Duitstalige woordkunstenaar verwacht. Zoals Luc de Heusch in zijn schitterende essaybundel Ceci n’est pas la Belgique (1992) heeft geschreven: ‘… l’art tribal n’a plus de sens.’ (43) Het is nodig dat men die realiteit aanvaardt in de drie taalgebieden. Niet alleen het tijdperk van tribale kunst is voorbij (gestreefd), ook elkaar bestrijdende stammen passen niet meer in dit tijdsgewricht. In heel België wonen overigens minder inwoners dan in een aantal grote wereldsteden. Ik kan Els Moors alvast enkele Belgische Duitstalige dichters aanbevelen: Bruno Kartheuser, Leo Gillessen of Suzanne Visé. Over de ‘Qual der Wahl’ moet ze zich geen zorgen maken, want de vooraanstaande dichters Gerhard Heuschen en Robert Schaus zijn intussen helaas overleden. Maar door welke gebeurtenissen of plotse invallen heeft Laurence Vielle zich laten inspireren?

In de inleidende tekst roept de dichteres de lezer op om van zijn huis een huis van de poëzie te maken en op die manier licht ze de titel van de bundel toe. Vielle omschrijft de betekenis van poëzie als volgt: ‘Net als het water net als de liefde is de poëzie een levend, essentieel en universeel element van ons bestaan, van onze wereld.’ Daarna volgt de lezing die de schrijfster op 26 januari 2016 in de Brusselse boekhandel Passa Porta heeft gehouden. In die bespiegeling over een versregel van de Belgische dichter Paul Nouget – ‘Les oisaux s’envolent, le vent nous reste’ / ‘De vogels gaan vliegen, alleen de wind blijft ons dragen’ (12-13) – denkt de dichteres na over de vergankelijkheid van het leven, de adem en woorden. Wat mij opvalt, is de kernachtigheid van een aantal versregels die in het Nederlands meer woorden vergen: ‘le souffle nous relie nous façonne / et nous venons du souffle et nous y retournons / le souffle-parole nous traverse / ma langue et mon palais le modèlent en vocables’ en ‘de adem verbindt ons geeft ons vorm / we komen voort uit de adem en we worden weer adem / de adem van het woord waait dwars door ons heen / mijn tong en verhemelte kneden hem tot zinrijke klanken’ (12-13). Vielle onderstreept dat alle kunstenaars en alle mensen ‘Brüder’ zijn: ‘We schrijven en spreken, ieder van ons schept op zijn / manier adem, in de vorm van woorden delen we onze / adem met de wereld; / Vlamingen Franstaligen Walen meertalige sprekers / of zangers, ademen doen we allemaal.’ (15) Bij het lezen van de ‘speech’ heb ik meermaals aan ‘Blowin’ in the Wind’ van Bob Dylan gedacht. Vielle vermeldt in haar bespiegeling terecht een andere zanger: de poëtische Jacques Brel. Tijdens de toespraak gaf de dichteres ook op een originele manier haar identiteit prijs: ‘Ik woon in Brussel, haalde er voor het eerst adem. Mijn / Franstalige moeder komt uit Vlaanderen; mijn vader is / een beetje Zwitsers, een beetje Waals, een beetje Vlaams. / Ze leerden me nieuwsgierig te zijn en de diversiteit te / omarmen. Daarom houd ik van alle heuvels en vlakten in / dit land, dat me zo dierbaar is.’ (17-19) De dichteres had zich moeilijk een betere stamboom kunnen wensen. Ze heeft een DNA dat past in dit tijdsgewricht. De dichteres wijst erop dat poëzie in de verdrukking is geraakt en pleit voor een ‘poëtische re-evolutie, een levende brug tussen jou en mij!’ (21)

In het tweede deel worden de gedichten gegroepeerd die Vielle voor de kranten heeft geschreven. In ‘Doortocht’ herken ik enigszins de structuur en bedoeling van De avonturen van Niels Holgersson van de Zweedse schrijfster Selma Lagerlöf. Wat me vooral treft in dat gedicht is de aandacht voor de migratiestromen die het Belgische maatschappelijk contract in leven hebben gehouden. De trein bracht mensen uit alle windstreken en vervoerde ‘forces vives’ of ‘levende krachten’, in het Duits zo mooi vertaald als ‘Der zug […] verfrachtete Lebensenergie.’ (36) De vertaalster sloot zich aan bij de modernistische aanpak en maakte geen gebruik van hoofdletters, hoewel de beginletter van zelfstandige naamwoorden in het Duits nog altijd met een hoofdletter wordt geschreven. In ‘Veiligheid’ trekt Vielle van leer tegen de enge politieke invulling van het begrip veiligheid. Veiligheid is een existentieel gevoel en dat wordt niet in de hand gewerkt door te snoeien in de welzijnsuitgaven om meer veiligheidsagenten de straat op te sturen. Dan krijg je: ‘moeder vader het hele gezin / zit bang voor de teevee / blijft thuis / in die veiligheid / heren en dames die voor ons besturen / neen daar geloof ik niet in.’ (45) Ik ook niet. Vielle is een geëngageerde schrijfster in de ruimste betekenis van het woord, een schrijfster die me aanspreekt door haar zeer directe verwoording. Ze gaat niet op zoek naar verhullende metaforen.

De reis die in ‘Doortocht’ werd aangevat, wordt voortgezet in ‘Bron’, een gedicht waarin de schrijfster langs de Schelde loopt, de stroom die Frankrijk, België en Nederland verbindt, de stroom ‘die zich van grenzen niets aantrekt / al honderd jaar waakt hij over / het gebeente van Verhaeren / Rimbaud de wandelaar is er ook voorbijgelopen.’ (65) Vielle ontdekt de Schelde in tegenstroom, en dan denk ik meteen aan de ruim 200.000 Vlamingen die zich in de negentiende eeuw ook van de grens niets hebben aangetrokken en op zoek zijn gegaan naar werk in het gebied rond Roubaix, Lille en Tourcoing. Ook Vielle kent de geschiedenis, zoals blijkt uit ‘Gedicht van de voetballers van het Huttebos’ (104), een gedicht waarin soldaten in december 1914 hun geweren en de loopgraven ruilden voor een voetbal en een geïmproviseerd doel. In dat gedicht heeft het werkwoord schieten een heel andere betekenis gekregen.

Daarna volgen gedichten die ook deel uitmaken van de opdracht, maar die niet werden vertaald. Ook hier valt weer het engagement op, o.a. in ‘Hart boven hard’. In ‘En hommage à Emile Verhaeren’ wordt een ander soort verbondenheid onderstreept, en het enig mooie gedicht ‘Marthe est morte’, een ode aan Sint-Amands en aan de vrouw van de dichter, blijft naklinken met de bezwerende, en meermaals herhaalde woorden ‘Marte est morte / morte est Marthe.’ (126)

Het derde deel van deze geslaagde bundel is een ‘Ronde van België’ met aandacht voor o.a. Oostende en Ensor, het Heuvelland waar de dichteres met Charles Ducal en Els Moors op stap is geweest, Ieper en de Menenpoort, het Leieland nabij de Franse grens, waar de inwoners als ‘les vrais multilingues’ door het leven gaan (155), het Lappersfortbos in Brugge, Gent waar Vielle moderne Nederlandstalige dichters heeft ontdekt – o.a. Paul Snoek, Lut de Block en Roel Richelieu van Londerseele – en een oproep doet: ‘maintenant il est temps que nous tous en Belgique / chantions le bilinguisme.’ (160-161) Op blz. 163 breekt ze zelfs een lans voor drietalighed. Meertalig door het leven gaan, opent de deuren voor meer soorten poëzie. Vielle heeft in deze bundel met klem haar poëticale en maatschappelijke opvattingen verdedigd – zoals het hoort! – en ik wil daar slechts één bedenking aan toevoegen: haar gedichten zijn misthoorns die verdwaalde schepen naar een veilige haven kunnen leiden, niet om er definitief voor anker te gaan, maar om weer uit te varen en de wereld en de mensen beter te leren kennen.

***
Laurence Vielle (1968) is een Belgisch dichteres en actrice. Haar debuut L’ imparfait verscheen in 1998. Haar voorlaatste bundel was Leven tegen levens (2016).

Domo de Poezia bestaat uit een bundel en een CD.