Recensie van Gedurig nader - Huub Beurskens

Veel poëtisch plezier met Jan Luyken en Huub Beurskens

Huub Beurskens
Gedurig nader
Uitgever: Koppernik
2018
ISBN 9789492313461
€ 16,50
53 blz.

Het singen, ’t springen,         
’t fluyten, ’t tuyten,
En ’t swieren….

Beeldend kunstenaar Huub Beurskens ontwierp zelf de lay-out van zijn nieuwste bundel. Een tekening van Goya van een schommelende wat karikaturale figuur, onder de in wit uitgevoerde titel ‘Gedurig nader’ op grijs perkamentachtig papier afgedrukt, geeft de bundel een bijzondere uitstraling. De titel is afkomstig van dichter/mysticus/emblematicus/graficus Jan Luyken uit 1711. Degene die afgaande op deze stichtelijke titel zou denken dat het om religieuze gedichten gaat, geschreven vanuit een diep mystiek gevoel, komt bedrogen uit. Integendeel: de bundel staat in het volle leven. De bundel lezend en bestuderend moest ik voortdurend denken aan het woord ‘speelplezier’, dat muzikanten gebruiken wanneer ze, met elkaar samenspelend, een hoogte bereiken en alles lukt in een perfect samenspel: ik heb de laatste tijd zelden een bundel gelezen, waarin binnenrijmen, assonanties, klankverwantschappen, vrije en gebonden vormen, beschouwingen over beeldende kunst van toen en nu en jeugdherinneringen in een grote beheersing van de techniek samenkomen. Het lijkt alsof de dichter een mateloos plezier had in het schrijven van deze gedichten. Niet alleen een veelheid van vormen maar ook van onderwerpen. Beeldende kunstenaars spelen een rol – wat voor een beeldend kunstenaar als Beurskens niet vreemd is, maar ook componist Louis Andriessen figureert in de bundel. De dichter ziet hem in de Utrechtsestraat lopen, vermoedelijk muziek ‘makend’, wat de gedachte aan het speelplezier alleen maar versterkt. Dat hij van Louis Andriessen het prachtige minimalistische werk ‘Hoketus’ noemt, pleit voor zijn muzikale smaak. Ik heb voor mijn recensie dan ook, als een soort eerbetoon aan de keuze voor een titel van Jan Luyken, zelf een motto gekozen uit een joyeus gedicht van dezelfde dichter, hier meer als observator en minnezanger dan diep piëtistisch mysticus: ‘Op het schoon zingen van Juffer Appelona Pynbergs’, laat ik maar zeggen: ‘Op het mooi dichten van Huub Beurskens’. Misschien werd beeldend kunstenaar Beurskens wel geïnspireerd in het Amsterdamse Museumkwartier, schilderijen bekijkend en becommentariërend, want dwars door dat stukje Amsterdam loopt de Jan Luykenstraat. Maar dit is in zeventiende-eeuwse termen een ‘terzijde’.

Ik ben mijn foto niet

‘Ik ben geen camera,’ schreef W.H. Auden. En ik ben
mijn foto niet, hoe je er ook op ziet of ik reeds oud en
grijs word en veel weg heb van mijn vader Wim of juist
van mijn moeder Miep, misschien zelfs of er iets huist

in me van grim of griep, of ik blij ben of melancholiek.
Ik ben mijn foto niet, noch die waarop ik haast geniek
de lens in kijk, noch de kiek waarop ik mijn lijk al lijk,
geschoten in de studio van de röntgenkliniek. Want ik

zie ik zie wat jij niet ziet. Dit maakt mij veel meer uit
dan mijn snuit: dat waar ik in zelfvergetelheid naar kijk,
de zee, een berg, die eik, een mier, wat ik hoor, een lied,

die lach, verdriet, of in gedachten voor me zie, een tiet,
een ramp, een kamp, de blondine die haar lippen tuit.
Meer vertel ik niet. Zie maar of je het op mijn foto ziet.

Ik vind dit geciteerde gedicht niet het mooiste uit de bundel, maar het geeft wel aan wat ik bedoel met de bijna virtuoos gehanteerde vormaspecten. Het betreft hier een sonnet, waarin de dichter zichzelf wel en niet tentoonstelt: hij is zijn foto niet en ziet wat wij niet zien, niet de fysieke dingen van het leven als ouder worden, maar wat binnen in hem leeft, de immateriële zaken, de dromen, de voorstellingen, de innerlijke muziek, die hij vanuit een ontkenning of verrijking van het nu beleeft. Misschien heeft hij een gedicht van Jan Luyken in gedachten gehad, waarin de regels voorkomen ‘Maar in het diepst van mijn gemoed / Daar werd het liefelijk en zoet.’ Zijn ‘snuit’ is daarbij niet zo belangrijk. Hij geeft gelimiteerde informatie, want hij vertelt niet meer dan dat. Het is aan ons lezers, kijkend naar het gedicht dat een foto wordt, om te zien of het waar is.
Het gedicht begint met een beschrijving en een constatering, waarna in het eerste terzet een wending optreedt: ‘Dit maakt mij veel meer uit’. Een laatste regel, waarin hij uitnodigt naar zijn foto te kijken, lijkt het gedicht logisch af te sluiten, al blijft de lezer in het onzekere: de dichter is immers niet zijn foto. Wat betreft de vormaspecten: zo rijmt Auden als binnenrijm op ‘oud en’. In r.2 rijmt in een binnenrijm ‘niet’ op ‘ziet’. De twee enjambementen in het eerste kwatrijn verplaatsen het accent. In kwatrijn 2 rijmt ‘griep’ op ‘Miep’, waarbij ‘melancholiek’ dan een klinkerrijm is. De ie-klank kleurt de tweede strofe, terwijl er ook nog een duidelijk stafrijm te vinden is: ‘grim of griep’. Het woordgrapje van het lijken op het lijk op een röntgenfoto vindt zijn aanvulling door juist dit binnenste van de mens in die zelfde ie-klank te ontkennen, er is plaats voor dromen: ’zelfvergetelheid’. Van de vele binnenrijmen en klankovereenkomsten noem ik nog ‘tiet’ en ‘blondine’, en ‘ramp’ en kamp’. Het is een leuk tijdverdrijf voor liefhebbers van goed gebouwde poëzie om dit gedicht eens te analyseren.
Niet alle gedichten zijn zo beschouwend, hoewel in bijna allemaal een afstandelijkheid te herkennen is en een gevoel voor ironie. Dat beeldend kunstenaar Beurskens zich laat inspireren door schilderijen die hem tot constateringen en opvattingen brengen, is ook niet vreemd. Het begint al in zijn eerste gedicht, het titelgedicht ‘Gedurig nader’, waarin hij, kijkend naar een schilderij van Aelbert Cuyp, tot de volgende opmerking komt: ‘Had niet Aelbert Cuyp maar ik in het midden / van de zeventiende eeuw het Bergachtig Landschap / met ruiter en veedrijvers geschilderd (nu te zien in / Londen) was ook ik me gaan wijden aan bidden // de rest van mijn leven’. Waarom, kun je je dan afvragen? Iets verderop geeft de dichter antwoord: ‘Kunstgeleerden suggereren // dat zodra de streng gereformeerde Cornelia Bosmans / met Cuyp was getrouwd, zij hem verbood ooit nog / iets af te beelden, en dat hij van de Nederlandsch / Hervormde Gemeente diaken werd, weshalve van / na zijn veertigste geen enkel werk bekend is’. Andere schilders die passeren zijn Jan Weissenbruch, Jan Verspronck en Alfred Sisley. Ook de klassieke oudheid maakt onderwerp uit van de poëzie, evenals zijn katholieke verleden, o.a. met een vermakelijk anekdotisch gedicht over een tekening van de pater rector, die de puber tekent, waardoor er een pater erector ontstaat, waarna een weemoedig demasqué optreedt (De Vernissage, p38). Er zijn herinneringen aan geliefden.
Er staan meerdere sonnetten in de bundel, maar daarnaast ook wat vrijere verzen, soms lijken ze op prozagedichten, soms zijn het verslagen van het bekijken van kunst, soms zijn ze gewoon lyrisch en ontroerend. Altijd is de taal verzorgd, altijd is er een poëtisch moment. Er is een gedicht in deze veelzijdige, fraaie, plezierig leesbare bundel dat een algemeen gevoel van nostalgie weergeeft. Met dat mooie gedicht (ja, poëzie mag hier mooi zijn, mag lyrisch en indringend zijn) wil ik deze recensie besluiten. Het was weldadig weer eens zo bezig te kunnen zijn met poëtische momenten van mooie en goede poëzie, misschien niet groots, misschien niet bijdragend tot de verdere ontwikkeling van ons literaire besef en de poëtica der Nederlanden, maar wel een cadeautje.

Pianoklanken

Of prelude, sonate of nocturne, of Chopin,
Ravel of Liszt, uit een raam op tweehoog of uit
geopende verandadeuren – wie die onverwacht

ooit wat pianoklanken hoorde, enkele maten
slechts, in een regenachtige ochtendstad, in
populierenlaangeuren of dorpspleinschemer,

dacht niet even dat hij zou willen janken,
al wist hij niet om wat of wie? Misschien
zelfs niet vanwege die flard melodie, maar –

Wie zijn wij toch, om wat ons zo ontglippen
kan dat we het wel moeten haten, zo mooi
te willen laten klinken dat het ons zal raken?

***
Hubertus Petrus Willem Beurskens werd in 1950 geboren in Tegelen. Middelbare school bij Augustijnen in Venlo. Daarna bekwaamde hij zich als beeldend kunstenaar op de kunstacademie in Tilburg. Hij debuteerde in 1975 met Blindkap. Hij was redacteur van Het Moment en van De Gids. Hij vertaalde zelf veel uit Amerikaanse literatuur en uit het Duits, o.a. Georg Trakl. Zijn poëzie is in het Engels en Duits vertaald. Hij won veel prijzen, waaronder de Herman Gorterprijs, de VSB-poëzieprijs, de Halewijnprijs van de stad Roermond en de Jan Campertprijs. Huub Beurskens woont in Amsterdam.