Recensie van Een spreeuw voor Harriët - H.C. ten Berge

De wereld van Ten Berge

H.C. ten Berge
Een spreeuw voor Harriët
Uitgever: Atlas Contact
2018
ISBN 9789045035703
€ 29,99
392 blz.

Een spreeuw voor Harriët is de derde bundel essays, dagboekbladen en veldnotities van H.C. ten Berge. In het voorwoord lezen we: ‘Het nieuwe boek bevat wederom een brede selectie van oude en nieuwe stukken, die gedeeltelijk in verspreide publicaties werden opgenomen, maar destijds weinig lezers hebben bereikt. Een aantal teksten is herzien en soms grondig bewerkt en uitgebreid. Andere – waaronder de dagboekbladen en de meeste veldnotities – verschijnen hier voor het eerst.’
Het accent in de bundel ligt op poëzie.

Ten Berge schrijft net zo makkelijk over moderne Nederlandse literatuur als over dertiende-eeuwse, zowel over de moderne Mexicaanse poëzie als die van de Azteken. Van wijdlopigheid is nergens sprake: hij schrijft op een samenhangende, heldere wijze. In ‘Een hel van ijs’, over de  ‘angstnocturnes van Roland Holst en de spooksonates van Vestdijk’, voert hij ons eerst langs Coleridge, Maurice Gilliams, de filmer Fassbinder, Fernando Pessoa en de lyriek van het oude en moderne Mexico om te laten zien dat het niet om strikt particuliere aangelegenheden gaat. Hij geeft de slapeloosheid en doodsangst van beiden een ‘brede en algemene context, waarin de menselijke benauwenissen literair gestalte krijgen.’ Uitermate boeiend. Vaak ga je na lezing van een essay over tot de orde van de dag, ook als het interessant is. Bij Ten Berge is dat meestal niet het geval: hij prikkelt je nieuwsgierigheid, hij doet je verlangen naar meer.

Heel actueel en verhelderend zijn de passages over engagement in poëzie, een motief dat door de hele bundel speelt. In het essay ‘De grillige lijn: een verkenning van Breyten Breytenbachs geschreven werk’ uit 2009 stelt hij zich onder andere de vraag hoe dichters die zich niet uitsluitend willen beperken tot het estheticisme – simpelweg omdat zij wereldse wantoestanden niet willen of kunnen negeren – toch hun vormkracht kunnen behouden. In de periode dat zijn vriend Breytenbach een jarenlange gevangenisstraf uitzat vanwege zijn strijd tegen apartheid, noteerde Ten Berge het volgende:

Er is een vraag die je niet opwerpt
en ten slotte toch maar stelt –
                hoe wij ons vermogen tot omvormen,
rangschikken, vormgeven,
kunnen behouden en beheren
tegen de omnipotente aanwezigheid van het ploertendom in.

Breytenbach citeerde met instemming Seamus Heaney, die erop wijst ‘dat poëzie voor alles een uiting in taal is en dus een taalproces weerspiegelt, waaruit het plezier in zichzelf mag en moet blijken: de dichter dient de taal tot in de haarvaten en uithoeken van haar bereik te onderzoeken. Ze bestaan om haar zelfs wil, en is daarin autonoom.’ Maar, kort gezegd, er is ook ‘het leven achter de pagina’, (Breytenbach) en ‘elk waarachtig schrijver [roert] aan fundamentele ethische kwesties’.

Hoe moet je je dit voorstellen? Een van de ‘Veldnotities’, ‘Wat een schrijverschap in stand houdt & versterkt’, is de weergave van een college aan een Zuid-Afrikaanse studenten Engels, Afrikaans en ‘kreatiewe skryfkunde’. Hij geeft de ‘de grafomanen van de toekomst’ een aantal suggesties. Hier volgen er twee:

* Werp al het vuilnis van je af; onwerkzame invloeden tot een minimum beperken; het probleem, de pressie en de verleiding van ‘de media’ een plaats geven.
* Bij dit alles de wereld toch in het oog houden en volgen. Laat de chaos in de wereld jouw geest niet overnemen en bezetten. Observeer, interpreteer, kerf een beeld in taal dat beklijft.

Hoe zien we dat bij Ten Berge zelf terug? Ik heb zijn laatste bundel Splendor er nog even bijgepakt. Gedicht 5 uit de reeks ‘O de aarde’:

De huid van de aarde, prooi
      van geweld: haar aanschijn doorsneden,
geperforeerd en ontveld.
Wat geschonden werd en stilaan heelt
wordt weer gevild, doorboord, opnieuw
aan plundering blootgesteld.

De wellust der verblinding explodeert.
Wonden worden kraters, gapend
      In de zielen van de daders.

Een gedicht van ingehouden woede over de aarde die herhaaldelijk verkracht wordt, een intens gedicht, en dat komt door de vorm. Neem alleen al die sterke nadruk op ‘prooi’, noodzakelijk voorafgegaan door een pauze (lees maar hardop), gevolgd door nog een pauze, gevisualiseerd door de spaties aan het begin van de tweede regel: het woord komt aan als een hamerslag. En dat in combinatie met de personificaties ‘huid’ en ‘haar aanschijn’ die de weerloosheid van de aarde benadrukken. En dan de klank, de felle korte e in ‘geweld’, ‘geperforeerd’, ‘ontveld’ in regel 2 en 3, of de dreigende a in kraters, gapend, daders in de laatste twee regels. Dat woord ‘gapend’ maakt die kraters in de zielen van de daders nog dieper, zeker met de associatie ‘een kras op je ziel’ op de achtergrond.
Een derde suggestie: ‘Heb oog voor nuances en oor voor de klank. Oefen de tong voor de smaak van de woorden. De taal is jouw instrument: koester, verken en bespeel het. Volg je temperament’. In dit gedicht laat hij dat op overtuigende wijze zien.

Het college wekt de verwachting dat Ten Berge een warm voorstander is van ‘kreatiewe skryfkunde’. Niets is minder waar. In ‘Van schrijven naar lezen’ houdt hij ons voor dat de schrijversvakscholen hebben gezorgd voor literaire inflatie en dat ‘het peloton van gediplomeerde dichters en schrijvers (…) dikwijls niet meer over een behoorlijke kennis van de eigen traditie en de eigen literatuur [beschikt]’, hoewel hij erkent dat er vele vakbekwame jonge schrijvers zijn die ‘goed, zoniet uitstekend kunnen schrijven. (…) Wat ons parten speelt, is een tekort aan lezers, een overproductie van boeken, een gehavend literatuuronderwijs en een chaotische hoeveelheid verleidingen van allerlei aard. Het kleine ‘segment’ van de poëzie zou daarom gediend zijn met de opheffing van schrijverscursussen en de instelling van lezersvakscholen die tegen een laag tarief een leestraining van hoge kwaliteit bieden.’ Voor een dichter als hij is sowieso geen schrijfonderwijs mogelijk: je moet zelf iedere keer opnieuw leren schrijven als je de werking van taal tot in al zijn uithoeken wilt onderzoeken.

Er is nog veel meer. In zijn veldnotitie ‘Romance & Passion: de vijf gedaanten van Rein Bloem (1932 – 2008)’ laat hij zich onder andere uit over Bloem als vertaler van canto’s van Ezra Pound, iets wat ook hijzelf heeft gedaan. Het is prachtig om te lezen hoe precies hij te werk gaat om te laten zien hoe goed Bloems vertalingen zijn.
In ‘Meditatie, observatie, conversatie: over de poëzie van Robert Hass’ gaat hij in op de scherpe naoorlogse tweedeling tussen ‘academische’ en ‘niet academische’ poëzie in de Verenigde Staten die pas verdween onder het presidentschap Bush junior, omdat de tegenstanders vanwege diens desastreuze beleid de handen in elkaar sloegen. Dit deed me denken aan de onverzoenlijk lijkende vijandschap tussen Ter Braak en Du Perron enerzijds en Anton van Duinkerken anderzijds en die verdween toen zij in de tweede helft van de jaren dertig alle drie een pennenstrijd begonnen tegen het opkomende nationaal-socialisme.
Hij schrijft over dichters die ik niet ken, maar naar wie ik nieuwgierig ben geworden, zoals Christopher Middleton en Eric Derluyn, het is teveel om op te noemen. ‘Wieviel, o wieviel / Welt. Wieviel / Wege’ luidt het motto van Celan. Als je zo’n motto kiest, weet je dat je werk nooit af is en de lezer profiteert daarvan.