Recensie van Blauwboek, gedichten voor de grote reuzin - Peter Holvoet-Hanssen

Op weg naar het zuivere dichterschap

Peter Holvoet-Hanssen
Blauwboek, gedichten voor de grote reuzin
Uitgever: Polis
2018
ISBN 9789463102674
€ 19,99
101 blz.

Cees Nooteboom spreekt in zijn Dagenboek 533 (2016) over dichters in wier werk veel onduidelijk blijft. Dat is iets wat mij bij eerste lezing van de nieuwe bundel van Peter Holvoet-Hanssen Blauwboek, gedichten voor de grote reuzin (2018) ook overkwam. Holvoet-Hanssen is echter wel een dichter, zoals dat voor Nooteboom Lucebert was, met ‘een druïdische zingzang […]. Je laat je mee wiegen op een stem en een ritme omdat je weet dat die stem bij iemand hoort die volstrekt zeker is van zichzelf en zich in zijn eigen universum bevindt. Je vertrouwt de melodie, je ratio heb je weggestuurd om ergens op een parkbank te rusten, deze taal wil eerst gehoord worden.’ Er lijkt een betovering van dit voorlezen uit te gaan die voorafgaat aan het begrijpen.
Tezamen met de bundel Gedichten voor de kleine reus (2016) vormt de nieuwe bundel Blauwboek, gedichten voor de grote reuzin (2018) een nieuw begin van zijn dichterschap. Alles wat hij in voorgaande jaren zich aan taal en (droom)werelden heeft eigen gemaakt, zet hij opnieuw maar in verhevigde mate in deze bundels voort. Daarin is hij overmoedig en eigenzinnig. Dat zit hem niet alleen in de grote associatieve salto’s die hij zijn lezers laat maken, maar ook in de niet te onderdrukken behoefte thematiek uit de boven- en de onderwereld, het dagelijkse en het buitenissige, de dag- en de droomwereld, de buiten- en de binnenwereld, de hoge en lage literatuur, het mythische en het realistische soms wat al te schielijk met elkaar te verbinden. Desalniettemin onderkent Holvoet-Hanssen zijn nietigheid, ‘een zandkorrel in een ooghoek’ te zijn, ‘een traan op de wang van het heelal’. Hoezeer hij ook het verlangen naar een allesomvattende eenheid najaagt, hij beseft tegelijkertijd de vergeefsheid ervan.
Holvoet-Hanssen schept zich een eigen universum waarin alles met alles samenhangt. Dat laatste geeft hem houvast ondanks het feit dat hij ook wel weet dat er heel wat slagen in de lucht gemaakt worden, voordat je het zelf gaat geloven. Hij opereert nogal eens als een circusclown die zijn eigen overmoed beseft maar daaraan gedurende zijn act niet wil toegeven. Hoe het ook zij, hij gelooft sterk in zijn eigen optreden, in de verwachting dat zijn publiek ermee in zal stemmen. Er zijn momenten dat je gefrappeerd wordt door zijn durf in het samenbrengen van woorden en beelden, maar even zovele malen heb je het gevoel met luchtfietserij van doen te hebben. Het werk lijkt dan ‘geen goedgekeurd engagement / of onschadelijke melkschuimauthenticiteit’ te bezitten. Je verliest als lezer nogal eens de vaste grond onder de voeten. Je voelt je hier en daar verloren in een verbeeldingswereld die wel elementen uit de bekende werkelijkheid en de traditie bevat, maar die niet altijd doeltreffend in een gepresenteerde samenhang zijn gebracht. Al voordat hij losbarst, heeft de dichter, zoals hij in zijn ‘Toegankelijk gedicht’ uit de afdeling ‘nachtmatroos’ aangeeft, zelf even de behoefte er maar het zwijgen toe te doen: ‘warmte en wifi een zeldzaam gezonde / bries van stilte zwijg liever zwijg toch / tot in het negende octaaf’.
Het is een omvangrijke bundel geworden. Holvoet-Hanssen kent opnieuw in deze bundel een zeer vrije omgang met de versvormen, de regellengtes, de bladspiegel, de typografie en de omvang van de verzen. Daarin volgt hij zijn grote voorbeeld: Paul van Ostaijen. De bundel bestaat uit vijf afdelingen waarbij verschillende gedichten uit onderafdelingen bestaan. Het karakter van zijn poëzie heeft een sterk narratieve en beeldrijke inslag waaraan hij elementen uit zijn (auto)biografie en de literaire traditie toevoegt waarbij hij ‘de zaden van het kwaad tot bloemen noodt’, om in de geest van Baudelaire te spreken. Hoewel poëtische stijlfiguren als herhaling, parallellisme en opsomming veelvuldig terug te vinden zijn in deze bundel, schrijft Holvoet-Hanssen overwegend proza-achtige poëzie.
In de tweede afdeling ‘Kleine reuzin’ gebruikt hij beelden die hij ontleent aan beelden van zijn kleine reuzin Anna Roza Holvoet. Deze gedichten spelen zich af in een droomachtige sfeer. De droomwereld is een verbeeldingsomgeving waarin Holvoet-Hanssen zich zeer thuis voelt:

Ze danste in het gebroken wit van de zon,
tekende gedichten als danseressen
met dromen groter dan het heelal.
Haar slagschaduw. De sterren sterven mee
naar het andere einde.

Hij stelt zijn kosmische werkelijkheid op scherp om haar in het oog te krijgen: ‘Grote Beer staat op zijn kop, ziet in de ogenglans / van de moeder zorgen om haar Kleine Beer’. Hij wil zo snel mogelijk ‘het ontdroomde land’ achter zich laten om zoveel mogelijk te kunnen toeven in die droomwerkelijkheid. In deze dubbelheid verkeert Holvoet-Hanssen permanent. Het gaat voor hem uiteindelijk om de vergetelheid waarin vadertje Tijd het laat afweten: ‘weet dat het te pas en te onpas / om de liefde gaat, de dromenstaat.’ Hij gaat voortdurend een gevecht aan met de tijd en wenst zich een verblijf op ‘een eiland waar de tijd in cirkels loopt’, waar de liefde kan zegevieren. Daar beklimt hij zijn Grote Reuzin en ziet er voor het eerst de dreiging van de Goleman. Het is ook de plaats waar hij voor het eerst het lied van het maanzeemeisje hoort.

In de andere kamer hoor ik je donderen, zwart kruipend lijk
naar de aarde gebogen als regen die hangt aan omgedraaide molens.
Sokken in de kom van je soep.
Vadertje Tijd, wees een levende wolk in de vergetelheid.
Als engelen zingen om je aandacht
weet dat het te pas en te onpas
om de liefde gaat, de dromenstaat.
Vaar in een stralend wit hemd in een bloemenboot
maar niet naar de overkant van de rivier.
Niet naar de andere kamer. Daar moet ik groot worden.
En ik ben nog liever dood.

In ‘De Ballade van Gérardie Byarvoi’ speelt Holvoet-Hanssen met de traditie van de vagantenliederen, de hoofse poëzie van Hooft en Huygens, de modernistische poëzie en moderne rapteksten. Hoge en lage literatuur zijn met elkaar vervlochten, want ‘ware poëzie’ is in de ogen van deze dichter ‘rebellie’. Hij wenst niet te investeren in ‘stiekeme poëtica’s’ maar in ‘speelse natuur’, want die is veel ‘resistenter’ tegen de duisternis van deze wereld.
Zijn bundel Blauwboek moet ‘een talisman met veel gezichten’ zijn. Daarmee kun je de Goleman, het monster, het onheil met een gerust hart tegemoet treden. Door alle duisternis heen blijft de sprokenverteller geloven in dit leven. Zoals bij het beeld Miracolo in het Middelheimmuseum te Antwerpen de ruiter op het paard van Marino Marini steeds blijft duren, zo zal ‘na dood het leven uitweg’ zoeken.
De belangrijkste afdeling uit de bundel is die van ‘de vijftien staties naar het grote blauw’. Hij bevat een oproep je kruis op te nemen en je dromendief een brief te sturen om zodoende op weg te gaan naar het azuur, ‘het blauw gedicht’. De wolk van de zwarte god hangt boven Watou, de plek waar jaarlijks de poëzie samenkomt: Hugo Claus, Eddy Van Vliet, Gerrit Kouwenaar en vele anderen. Holvoet-Hanssen volgt op eigenzinnige wijze de nieuwtestamentische staties en geeft er een humanistische, eigentijdse en soms bizarre betekenis en kleuring aan. De ik plaatst zich in de rol van Jezus en probeert een hedendaagse aankleding van het lijden van de hedendaagse mens te schetsen, in het bijzonder zijn eigen rol als dichter in een duistere wereld vol dreiging, geweld en vernietiging.
De ik wil dat het dodenland weer door een dans bevlogen raakt. Uit de diepte van ellende klinkt een grondtoon op. Jezus verschijnt in bizarre eigentijdse beelden om de verlatenheid van de hedendaagse mens uit te drukken: ‘verlaten straat, alleen de camera’s waken – dan kijkt hij / naar omhoog: Het is oneindig, en maar goed ook.’ Misschien is de vierde statie wel de meest cruciale in deze profane reeks met religieuze connotaties: de poëzie als blauwdruk kan de pijn niet stillen, want ‘verdraaid vernuftig was het dichtersconcentraat’. De afstand tussen ik en jij blijft immers bestaan. De hoop blijft dat anderen hulp kunnen bieden. Holvoet-Hanssen voert Maria Magdalena als publieke vrouw op die op het strand met een veel te kleine beha probeert de laatste lust bij Jezus los te maken. We verplaatsen ons daarop naar een hemelse tuin. Ondertussen gaan we onze ondergang tegemoet. Deze kruisgang mondt uit in een verdediging van het eigen dichterschap en de waarde die zij voor de mensheid kan hebben.
De ik vereenzelvigt zich met Jezus als visser van mensen, maar noemt zich ‘een verzenvisser zonder sleepnet.’ Holvoet-Hanssen, de ik, verwoordt tevens de kritiek die net als in het geval van Jezus vanwege zijn eigenzinnige manifestatie op hem is afgevuurd: ‘ik werd beschuldigd van esoterie, numerologie, HET MAKEN VAN CRYPTOGRAM, / te brede gedichten en nachtwinderige rede’. Hoe het ook zij: voor een ieder is er ‘geen leven na de dood’. En toch is de conclusie ‘er is geen dood: alles leeft de dood leeft en de rotsen stromen, strrrrrrr’. In de elfde statie valt de veroordeling, de kruisiging. Hij verafschuwt de fraaipraters van de bewierookte poëzie van Leonard Nolens. Toch zullen we allen transformeren. De stervende dooft uit, maar ‘Het sterven is geboren worden in het staalblauw, de hellevaart voorbij.’ Er volgt een grote sprong, ten slotte een lamento. Hoewel Blauwbaard je de hals omdraait, vindt er een transformatie plaats tot een nieuw mens. Moraal van het verhaal: reik elke dag de hand’ en ‘Laat het leven landen als een koninginnenpage op je dikke teen.’
Holvoet-Hanssen is een dromer, een middeleeuwse sprokenverteller, een fabulist, een trieste maar vrolijke artiest in een duistere wereld. Hij blijft op weg gaan naar het zuivere dichterschap, schoongewassen en gedroogd door de ‘Speed Queen’ van zijn taalwasmachine, met als risico dat we na zijn centrifugale werking zwijgen ‘in een taal die niemand spreekt’.