Recensie van Zo scherp je kon er ook niet geweest zijn - Siel Verhanneman

Uit het hart geschreven

Siel Verhanneman
Zo scherp je kon er ook niet geweest zijn
Uitgever: Manteau
2018
ISBN 9789022335123
€ 18
96 blz.

Na het overlijden van haar vader in 2013 deelde Siel Verhanneman (1990) korte poëtische teksten rond rouw en verdriet op Instagram via de hashtag #vijftiendeverdieping. In een interview in De Morgen vertelt zij, dat zij op deze manier “mensen die iets gelijkaardigs meemaken het gevoel wil geven dat ze er niet alleen voor staan.” Ze kreeg hiermee duizenden volgers, die niet alleen haar berichten liketen, maar ook hun eigen verlieservaringen met anderen deelden. Die overweldigende respons op de sociale media brachten haar ertoe om een dichtbundel in eigen beheer uit te brengen: Als ik stil ben heb ik een bos in mijn hoofd. Nadat zij in 2016 meer dan vijfhonderd bundels had verkocht, bracht uitgeverij Manteau begin 2017 een nieuwe druk uit. En nu, een goed jaar later, ligt daar al haar tweede bundel: Zo scherp je kon er ook niet geweest zijn.
We zouden Siel Verhanneman kunnen beschouwen als een exponent van een nieuwe generatie dichters. Dichters die zich eerst via sociale media ontwikkelen, alvorens op papier te landen. Maar is daarmee ook sprake van een nieuwe poëzie, van een ander gebruik van beelden, stijlmiddelen?
Het eerste dat opvalt, is dat de gedichten verluchtigd zijn met illustraties van de hand van Larissa Viaene. Verder hebben de meeste gedichten geen titel, en ontbreekt een inhoudsopgave. Een viertal gedichten heeft wel een titel, dit betreft gedichtenreeksen van twee à zes gedichten. Een enkele maal wordt een zin uit een gedicht gelicht en op een aparte bladzijde groot weergegeven. Zo eindigt de bundel met de indringende in kapitalen afgedrukte vraag ‘wil jij dan stoppen met huilen.’

De bundel opent met twee losse gedichten, gevolgd door de uit zes gedichten bestaande reeks ‘Van die zetel weet hij niks af’. Bij eerste lezing lijkt het een verslag van een moeizame relatie, met scherpe observaties. Laten we het derde gedicht uit de reeks eens nader bekijken:

III

‘Het zet zich soms door. Wist je dat?’

‘Wat? Het geluid? Ze blijven ook weg, toch?’

‘De mensen?’

‘Ja, de mensen.’

We bewegen op het ritme van luide stilte van wat voorgoed
werd kwijtgespeeld.
Je kunt het niet eens vrijen noemen. Je kunt het amper
voorspel noemen. Ik vraag me af hoeveel dichters al ‘luide
stilte’ gebruikten en wie van hen dacht de eerste te zijn.

We zuchten. Hij kreunt. Hij grijpt mijn gezicht tussen zijn
handen en ik weet

dat dit niet de man is die mij zomaar tot een geluid zou
reduceren.

‘Echt, sorry.’

‘Ik weet het.’

In dit fragment spaart de dichter noch zichzelf noch de ander. Vooral de zinnen ‘Je kunt het niet eens vrijen noemen. Je kunt het amper voorspel noemen’ zijn behoorlijk raak en expliciet. Qua stijl valt op, dat het gedicht enerzijds uit een dialoog bestaat, met witregels tussen de verschillende uitingen, en anderzijds uit prozafragmenten waarbij de regeleindes gedicteerd lijken door de bladspiegel in de bundel. Alleen bij de overgang van de twee laatste fragmenten met het enjambement op ‘ik weet’ lijkt sprake van een door de dichter aangebracht regeleinde.
Bij herlezing van deze acht gedichten kantelt het beeld. Misschien ook omdat ik tussendoor het interview met de dichter in De Morgen had gelezen. Daarin komt naar voren, dat zij niet alleen in 2013 haar vader verloor, maar drie jaar later ook haar zus. Door deze kennis lees ik nu meer, hoe het overlijden van met name haar zus de relatie tussen de twee geliefden binnendringt: “‘Ik zie haar overal lopen.’ / Hij reageert niet. Hoe moe is hij ondertussen van het praten over dode mensen.”

Na deze acht gedichten volgen breeduit over twee pagina’s twee losse zinnen, die de essentie uit het tweede gedicht vormen: ‘Het gekke is dat je het veel langer onthoudt. Schudden is een niet aanraken.’ Losse zinnen, als korte Instagram-posts, die de voorgaande emoties nog eens onderstrepen. Geen poëtische techniek in de klassieke zin des woords, maar wel een effectieve werkwijze.
Hierna lijkt het verhaal over de relatie verder te gaan met het tweeluik ‘Jouw afkeuring als vuil onder mijn nagels’. Gaandeweg komen de scènes echter losser te staan, en komt er ruimte voor enkele meer op zichzelf staande gedichten, waaronder het raadselachtige gedicht waar de bundel zijn titel aan ontleent:

daar lag je ook maar
te verdrinken in al dat zwart
en een driehoek wit

nooit nog echt jezelf

ik had al één keer afscheid genomen
maar dit voelde als de auto
op de parking waar de muziek te luid speelt

daar lag je

en het duurde de volle drie seconden
en het zwart
de witte driehoek

zo scherp je kon er ook niet geweest zijn

De bijdragen van Larissa Viaene worden op de achterflap ‘een gevoelsmatige, abstracte weerkaatsing van de tekst’ genoemd. Het is natuurlijk een goede zaak, dat de kunstenaar de gedichten niet letterlijk in een plaatje omzet. Daarom spreekt men ook van ‘bijdragen’ in plaats van ‘illustraties’. In zekere zin werkt het, de afbeeldingen vangen onze blik, en maken extra nieuwsgierig naar de begeleidende tekst. De afbeelding bij het ‘titelgedicht’ toont twee abstracte in zwart gestoken onderarmen en handen, die naar een oog grijpen. Het hoofd boven de armen is een licht gedraaide, witte rechthoek. Een bijzondere artistieke interpretatie van ‘een driehoek wit’. Opvallend vind ik ook, dat juist aan het minst toegankelijke gedicht uit de hele bundel de titel ontleend is. Een titel die mij eerlijk gezegd nogal ontgaat. De herhaalde zin ‘daar lag je’, gevoegd bij het ‘zwart’ en ‘afscheid’ roepen het beeld op van een uitvaart, zeker ook omdat overlijden in de rest van de bundel zo’n belangrijk thema is.
Zo scherp je kon er ook niet geweest zijn is een bijzondere bundel. Er zit een soort verhaallijn in de gedichten, die tijdens het lezen nieuwsgierig maakt naar het verdere verloop. Rouw en intermenselijke relaties zijn daarbij de belangrijkste thema’s. Er worden weinig traditionele poëtische technieken gebruikt, geen rijm, geen assonantie, geen vaste vormen. Vaak regeleindes die door de bladspiegel gedicteerd worden, en tekstfragmenten waarin soms wel erg veel uitgelegd wordt. Daarbij maakt ze dankbaar gebruik van de vrijheid die de poëtische vorm haar biedt: impressies, herhalingen, en de mogelijkheid om gedachtesprongen en abrupte overgangen tussen situaties toe te laten. Hoewel zij zich in het eerst geciteerde gedicht afvraagt “hoeveel dichters al ‘luide stilte’ gebruikten” maakt de dichter in de bundel een weinig belezen indruk, en zie ik weinig aansluiting bij andere dichters of stijlen. Veeleer lijkt Siel Verhanneman poëzie te schrijven die ‘uit het hart gegrepen’ is, en die juist in haar directheid velen aanspreekt.