Recensie van Niemandslandnacht - Annemarie Estor

Een dichtbundel 2.0

Annemarie Estor
Niemandslandnacht
Uitgever: Wereldbibliotheek
2018
ISBN 9789028427471
€ 19,99
80 blz.

De wereld nadert haar perfectie. Tenminste, als je op de goede plek woont. En hoe leefbaar is ‘perfectie’ eigenlijk? De nieuwe bundel van Annemarie Estor staat in de traditie van toekomstbeelden als 1984 van George Orwell en De Cirkel van Dave Eggers. Sinds ik in Dichters van het nieuwe millennium haar gedicht ‘Vuurdoorn me’ heb gelezen, beschouw ik Annemarie Estor als een dichter van de buitencategorie. Ook haar nieuwe bundel Niemandslandnacht is moeilijk in één categorie onder te brengen. Het is geen gedichtenbundel in de gebruikelijke zin des woords, eerder een novelle in gedichten. De uitgever zette het in de markt als ‘crime poem’, wat niet alleen vloeken in de kerk van de Nederlandstalige poëzie is, maar ook niet echt klopt. Niemandslandnacht is geen whodunnit, maar een spannende vertelling in 32 gedichten. De vrijheid die de poëzie biedt, benut de dichter met sterk uiteenlopende vormen, beeldend en soms experimenteel taalgebruik en met de kunst van het weglaten. Dit komt de spanning en sfeertekening zeer ten goede. Toch vrees ik, dat dit crime poem de verkoopcijfers van literaire thrillers waarmee de markt overspoeld wordt bij lange na niet zal halen. Zelfs niet door de inzet van een trailer op YouTube. Ik raad u aan deze eerst te bekijken voor u verder leest.

De citaten uit dit filmpje komen uit de gedichten 5 ‘Sensoren’ en 11 ‘Ondertussen in het niemandsland’. De twee minst poëtische bijdragen uit deze bundel, alsof robots aan het woord zijn. En misschien is dat wel zo. Het gebruikte niet-proportionele lettertype doet denken aan een programmeercode. Niemandslandnacht speelt zich af op de grens van Orb en Grout. Orb is de perfecte maatschappij, Grout een soort archaïsche krottenbuurt waar de bewoners in primitieve armoede leven, maar zonder de dwang die de moderne machinerie de mens oplegt. In het derde gedicht worden beide steden c.q. rijken als volgt voorgesteld:

(…)

Bij de ingekuilde prei staat een petroleumlamp te branden.
Hij bewierookt bonenstaken.
Niemand vraagt zich af
wie die lamp daar heeft gezet
en voorgoed is weggeslopen.

Welkom in Grout, vagebond.

Ze ziet gezinnen achter lappen wonen,
hoort oma’s klagen en moeders bidden boven de schillen.
Bestaan is het kabaal dat zich verstaanbaar maakt
tussen gestoorde radiozenders
en het ratelen van aftandse wasmachines.

Kijk, de magere schim in zijn kleed.
Hij klopt met vlakke handen op de muur,
sleept oud papier onder kramen vandaan.
Zijn kornuiten en hij, ze steken het aan
en hurken bij het vuile vuur.
Soms turen ze wantrouwig
in de richting van de muur.

Orb ligt in het landschap
als een lichtende kroon,
een roemrijke koepel,
mythisch rijk.

Men zegt
dat de mensen er glanzen.
Dat de duiven er worden geruimd
en de wind er wordt geweerd.
Dat er garanties bestaan.
Dat het oog er wordt gecontroleerd.
Dat vaartuigen er guirlandes trekken
door de atmosfeer.
Dat nanodeeltjes goud
er als gondels door bloedbanen varen.

(…)

p.12-13

Hoofdpersoon van het verhaal is een zekere Pili, die, begeleid door haar lerares Valeria, na een bewustzijnsverruimende avond op zoek gaat naar haar afkomst. “’Valeria, hoezo heb ik een moeder? / Niemand heeft een moeder.’ // ‘Welkom, Pili, in de rokerij van je verleden. / De avond is nog niet voorbij,’ / antwoordt zij.” (p.23) Pili stapt in de zijspan van Valeria’s motor: ‘Het wegdek rammelt aan mijn botten. / Buiten Orb is de atmosfeer / karboonduister, bruinkoolsmerig. / Ik deemster door mijn longfossiel. / Het duurt angstjaren, grijze haren, / voor mijn ogen iets van vorm ontwaren. // (…) Verpakt in haar motorbril lijkt mijn docente / als een wesp swift en straf / af te koersen op haar doel.’ (p.24) Het taalgebruik is zeer gevarieerd, de teksten bestaan uit beschrijvingen, dialogen, spreektaal, dialect, neologismen. Tot haar grote verrassing blijkt Pili ook nog een broer te hebben, ergens in een krot in Grout: ‘Steem heb mama kapot lief / Roza steem mama niet goed maakt / van lang tot de einde van de nu! / Nee niet kwalik niet kwalik. / En na tien jaar ik jou al socht, / maar ik was klein hè!’ (p.26, 27) Meer nog dan door beschrijvingen wordt deze Vito door zijn taalgebruik neergezet. De hallucinatoire zoektocht gaat verder: ‘Onder een spaghettiviaduct / nabij controleposten, in een pocket smog, / ligt een tentenkamp, bedolven / onder uitlaatgassen, frackingdampen / en een continue regen van consumptieresten.’ (p.30)

Tot zover de verhaallijn. Teveel voorkennis doet afbreuk aan de leeservaring, dus ik houd me in. Wel kan ik verklappen, dat het plot buitengewoon complex en verrassend is, en dat pas na tweede lezing veel zaken op hun plaats vielen. Het openingsgedicht bijvoorbeeld is zonder de kennis van het hele verhaal niet te begrijpen, maar zet wel direct de toon voor een spannende, absurdistische vertelling. De donkere voorkant van de bundel en het filmpje op YouTube geven de sfeer van Grout goed weer. Het leven in Orb daarentegen is schitterend, maar ook zeer kunstmatig en steriel. Het deed mij sterk denken aan de overgereguleerde campus uit De cirkel, of de allesomvattende staat in Brave new world. Komt ook genetische manipulatie aan de orde? Wie is Todopoderoso, en kunnen we zijn naam vertalen als omnipotens, almachtige? Als al het stof van de verwikkelingen neergedaald is, volgt een raadselachtig einde:

Dona nobis

Geef een staaltje engelbrui
Kweek een taaie ruigpootbruid
Scharrelaar met mensenhaar
Schikgodin met mensendril

Dona nobis motorbril

(p.77)

‘Dona nobis’ lijkt een verwijzing naar ‘Dona nobis pacem’, de laatste woorden uit het Agnus Dei, veelal het laatste gedeelte uit de getoonzette katholieke Mis. Met binnenrijm (geef/kweek, staaltje/taaie), alliteratie (scharrelaar/schikgodin) en eindrijm (engelbrui/ruigpootbruid; mensendril/motorbril) is deze 32e en laatste tekst uit Niemandslandnacht qua klankgebruik één van de rijkste uit de hele bundel, passend bij een nadrukkelijk slotakkoord. Het heeft iets van een toverspreuk, mogelijk van Todopoderoso. De laatste drie woorden laten een flauwe indruk achter. Niemandslandnacht had beter verdiend. Het is bij nader inzien niet zozeer een bundel gedichten waar een verhaallijn in zit, maar eerder een novelle in gedichten. De afzonderlijke gedichten staan niet echt op zichzelf, maar vormen met elkaar een spannend, cultuurkritisch, absurdistisch, onheilspellend (onderstrepen wat gewenst wordt) verhaal, dat uitnodigt tot zorgvuldige lezing en herlezing.