Recensie van Alles gebeurt onderweg - Annemie Deckmyn

Uit de raten van een reisbij

Annemie Deckmyn
Alles gebeurt onderweg
Uitgever: Uitgeverij P
2018
ISBN 9789492339270
€ 17
64 blz.

Het debuut van Annemie Deckmyn begint met een citaat uit het werk van Jean-Paul Sartre (1905-1980): ‘Niet in de afzondering zullen we onszelf ontdekken, maar onderweg, in de stad, in de menigte, als ding onder de dingen, als mens onder de mensen.’ Dit citaat verklaart enigszins de titel van de bundel. Sartre wist waarover hij het had. Zoals J.K. Huysmans en Georges Bataille schreef hij bladzijden vol in het Café de Flore. En hij beperkte zijn verkenning niet tot die ontmoetingsplaats. Zoals Simone de Beauvoir en Albert Camus schreef hij ook in een ander beroemd café: Les Deux Magots. De zoektocht naar het zelf leverde Sartre alleszins  bizarre kennis op: ‘L’enfer, c’est les Autres’ (in het toneelstuk Huis Clos, 1944). Annemie Deckmyn laat die vaststelling gelukkig links liggen, en ze heeft zich ook niet op het hellepad van Dante Alighieri (1265-1321) begeven. Het lijkt erop dat ze het leven als een reis opvat, een reis met slechts één doel: het leven zelf. Voor wie altijd op reis is, gebeurt alles altijd onderweg. Er is immers geen vaste aanlegsteiger, geen bestendige ankerplaats, tenzij misschien de taal van het denken en aanvoelen. De dichteres draagt de bundel op aan ‘wie naast [haar] gaat’, de Ander, de medereiziger.

Alles gebeurt onderweg bestaat uit zeven reeksen gedichten waarvan er enkele worden ingeleid met een citaat. Aan de eerste cyclus, ‘Wij’, gaat een uitspraak van de Libanese dichter, denker en schilder Kahlil Gibran (1883-1931) vooraf: ‘Wij zullen elkaar nimmer begrijpen zolang wij de taal niet tot zeven woorden terugbrengen.’ De schrijver van De profeet (1923) heeft er met die uitspraak op gewezen dat het essentiële uitdrukken niet gebeurt door een massa woorden op elkaar te stapelen, maar door het aantal woorden te beperken, en dat is een van de kenmerken van Deckmyns poëzie. Gibran schreef ook dat ‘Alleen hij die duizendmaal verdwaalt [eens] thuis zal komen.’ Die uitspraak is behoorlijk rekkelijk, maar ze past ook in de zoektocht van dichters: vaak verdwalen in woorden draagt ertoe bij dat men die ‘zeven’ woorden van Gibran achterhaalt. In het eerste gedicht lees ik ‘jong als een maandag / waren we, en welbespraakt.’ In de laatste strofe geeft de dichteres te kennen: ‘ik zie je liever zwijgend. / ontdoe je van je jas en jaren, / toon me elk verschil.’ (p. 6) Met de eerste versregel, ‘jong als een maandag’, herinnert de schrijfster gewild of ongewild aan het scheppingsverhaal. De schepping staat nog in haar kinderschoenen, het is maandag, en de protagonisten zijn jong (uiteraard) en ‘welbespraakt’. Na jaren van zoeken en verdwalen hoeft die welbespraaktheid niet meer, de dichteres ziet haar medereiziger ‘liever zwijgend’. Ze verlangt niet eens naar die zeven woorden.

De eerste cyclus is vanzelfsprekend het reisverhaal van de dichteres zelf: ‘gedurfde keuzes konden we niet maken, ze hingen aan de haak / bij de wanten en sjaals, haastig om ons te verlaten. / wij ontsnapten niet aan de middelmaat. / bouwden een huis waarin we ouder werden.’ (p. 7) De reis mocht dan wel het doel zijn, ze verliep volgens een geijkt stramien, ingegeven door een omgeving, en wat onderweg gebeurde, kinderen krijgen en ze zien opgroeien, leidde tot berusting: “wij, uitgeput, vonden elkaar in verschoten zetels. / van hun verhalen verzadigd dommelden we in.’ (p. 7) Het is een zeer herkenbare reis, met lichtpunten en weemoedige gedachten: ‘op glanzend papier de zomer bewaren. / het feest opbergen in een la, voor later, / als we op de bank samen staren / naar de kust in een kader. // kijk, hier zijn we geweest.’ (p. 8) Het is een veredelde versie van ‘Kilroy was here.’ Ook al is het leven een reis zonder bestendige ankerplaats, leven betekent ook een terrein afbakenen door het aanbrengen van een merkteken. En al bestaat er geen handleiding ‘over de kunst om op een goede plek / je zandkasteel te bouwen’, toch beginnen de meesten te spitten, maar ‘de stoerste burcht verzakt het eerst. // de vloed komt onvermijdelijk. / overspoeld zijn we elkaars gelijke.’ (p. 9) Niet één merkteken kan aan de tijd weerstaan, en onvermijdelijk dringt zich een nieuwe reis op. Deckmyn verwoordt haar gevoelens en gedachten op een bijzonder sobere manier in gedichten met een wisselende vorm en zonder eind- of binnenrijm. Er is nu en dan hooguit sprake van alliteratie. Het aandeel van de reiziger in het verhaal is veeleer miniem, het lijkt erop dat de reis zich vanzelf voltrekt:

we behoren toe aan de straten van de stad,
bewonen een huis waaruit licht lekt.
mensen onzichtbaar achter muren.
het is een avond om voorbij te gaan.

schatplichtig aan versleten stenen zijn we,
tol voor wat bewaard blijft en behouden.
trappen in arduin, de koperen engel
gebogen aan het bruggenhoofd wacht.

gevels in het water lichten op.
een kier volstaat om binnen te kijken,
elke overkant is verder dan gedacht.

(p. 10)

De tweede reeks gedichten werd samengebracht onder het kopje ‘Ik’, en de dichteres laat Oskar van der Hallen (1903-1979) aan het woord: ‘Zelfkennis is als een ziekenhuisbed: proper maar pijnlijk.’ Het is een aforisme dat ik, gelet op Van der  Hallens belangstelling voor het werk van de Franse katholieke schrijver Georges Bernanos (1888-1948), de schrijver van Sous le soleil de Satan (1926), kan plaatsen, maar dat misplaatst is in deze sobere bundel. Zelfkennis is niet per definitie pijnlijk, en een ziekenhuisbed is niet altijd proper – ik spreek uit ervaring. Nadat de schrijfster vastgesteld heeft, dat een aantal van haar wensen onbereikbaar blijken te zijn, stelt ze: ‘het wil niet lukken, ik ben mezelf. / snij elke dag met frisse moed / mijn verse overvloed aan stukken.’ (p. 15) Het is toch niet pijnlijk overvloed te hebben, en die elke dag met frisse moed aan stukken te snijden. Deze vitalistische strofe staat volledig haaks op de uitspraak van Van der Hallen. Zelfs wanneer de schrijfster in een ver land ten val komt – op het vertrouwde pad kent ze ‘elke struikelsteen’ – , ‘alles gebeurt onderweg’, staat ‘de prins van toen, een jutter’, en ‘vindt [haar] na de storm, / draagt [haar] naar huis.’ (p. 17) Maar misschien is het pijnlijke dat de schrijfster zoals vele andere dromers toch niet altijd onderweg is, dat ze toch een ankerplaats heeft, een huis dat ook de prins van toen kent, en wellicht samen met haar deelt, al is hij kennelijk een jutter geworden.

In de derde reeks gedichten, ‘Weerhaken’, ingeleid met ‘Poëzie is een manier om het leven bij de keel te grijpen’, een citaat uit het werk van de Amerikaanse dichter en toneelauteur Robert Frost (1874-1963). Frost liet zich vooral inspireren door de natuur van New England en schreef eenvoudig opgebouwde gedichten. Zijn uitspraak past beter bij het werk van Deckmyn dan die van Van der Hallen. Ik citeer een kort sober gedicht dat dicht bij de natuur aanleunt en als het ware het citaat legitimeert: ‘het was een slecht jaar. / we kwamen niet verder / dan enkele spadesteken. // langs de schaarse gewassen / de slijtgang van de sleur. / hier valt niets te oogsten. // raven wachten op een kreng. / er knaagt een wezel in de stal. / we breken onze schuren af.’ (p. 20) Het zouden de gedachten van een boer in Vlaanderen of Nederland kunnen zijn. Onopgesmukte beelden, geen adjectieven en werkwoorden die op ongenoegen wijzen. De reis door het leven slaat weerhaken in de reiziger, en hier valt wel pijn op, maar het is niet de pijn van de zelfkennis, het is de pijn van de existentiële ervaring. Er zijn ook beelden van de cyclische beleving – de levensreis begint steeds opnieuw – van de ontdekkingstocht, die zeer nauw bij de natuur aanleunen: ‘november maakt slagzij. / het donkert waar we wonen, / we spreken wintertaal, / bevriezen in elke plooi. // de eenden zwijgen, / onze gedachten zijn ijs. / we schaatsen naast elkaar. / ontwijken een woordenwak. // straks warmen we ons / aan het resthout thuis. / winter is te harden, / we wachten op dooi.’ (p. 22) Pijnlijk, maar ‘winter is te harden’, want er hangt dooi in de lucht.

De vierde reeks, ‘Nog even respijt’, lijkt een voorlopige balans te zijn, die wordt ingeleid met enkele woorden van Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832): ‘De ouderdom is een beleefde mens. / Hij klopt enkele malen aan.’ De ouderdom komt onmiddellijk aan bod: ‘we zijn bereisd. geen grenswacht weerhoudt ons.’ Bereisd zijn vergt een (vrij) lang leven, en dat betekent dat er op een dag ‘zwarte vogels krijsen om ons brood.’ Het is een teken dat liefst zo snel mogelijk naar de achtergrond wordt verdrongen: ‘verjaag hen met je handrug, stel me gerust: / het is slechts reizen, we keren nog terug…’ (p. 28) De reis lijkt dan toch niet het echte doel van de reis te zijn, er is toch een haven, een ankerplaats die op de reizigers wacht. De ouderdom klopt ook aan in de herinneringen die langzaam nieuw reisplannen gaan overheersen:

een orkaan herinneringen,
stiefdochters uit de sprookjestijd.
zij stromen als sap in de stam.
omkijken is fataal.
we kiezen de storm niet,
de storm kiest ons.

verleden is verdwaalde pasmunt
uit onze diepste laden
bijeengeveegd, wie bepaalt de waarde?

(p. 31)

Let op het afgewogen woordgebruik: herinneringen zijn geen dochters, maar stiefdochters, en omkijken is even gevaarlijk als in het verhaal waarin de vrouw van Lot omkeek en in een zoutzuil veranderde. (Gen. 19:26) Daarna volgen nog de cycli ‘Kleine vuisten’, ‘Vader en moeder’ en ‘Vier elementen’. Deze reeksen bevatten gedichten met een zelfde sobere, diep afgewogen zegging, en ter afronding citeer ik het laatste gedicht, ‘Imker’, dat me enigszins doet denken aan het werk van Sylvia Plath (1932-1963). Plath heeft vijf gedichten over bijen geschreven nadat ze zich op het einde van haar leven met bijen was gaan bezig houden – haar vader, Otto Plath, had haar in een ver verleden de weg gewezen, o.a. met de publicatie van Bumblebees and Their Ways (1934). Otto Plath was geen klassieke imker, maar dat is de imker van Annemie Deckmyn evenmin: ‘ze deed het. / zo moest het gaan. / dezelfde dag nog / stond ze bij de korven. / alleen en onbeschut / het aan zijn bijen / komen zeggen: / ‘de imker is gestorven.’ (p. 57) Misschien stond ook Sylvia Plath als klein meisje bij de vroege dood van haar vader ooit bij zijn al dan niet reële korven.

Alles gebeurt onderweg is een debuut dat vraagt om een trage lezing. De schrijfster heeft geen woord te veel gebruikt en de zegging beperkt tot de essentie. De bundel is beslist een aanwinst, nu de podiumpoëzie hoge toppen scheert. Niet het effect van de woorden, maar de verborgen laag van de zegging staat voorop in het werk van Annemie Deckmyn, en dat is een kwaliteit die ik ten zeerste waardeer.