Poëzie moet helemaal niets

 

Jaap van den Born (Nijmegen, 1951) is een Nederlandse dichter en illustrator. Als dichter debuteerde hij in 2005 met de bundel 2000 jaren Nijmegenaren, gevolgd door Drs. P revisé, dat hij samen met Drs. P schreef. Van zijn hand zijn inmiddels achttien (papieren) bundels verschenen en ruim tien e-books.
In 2012 werd zijn gehele oeuvre bekroond met de Kees Stip-prijs. Jaap van den Born is hoofdredacteur van Het vrije vers dat in 2008 werd opgericht door dichter Quirien van Haelen. Filosofie, wetenschap en geschiedenis zijn belangrijke thema’s in zijn werk.

Hoe ben je tot dichten gekomen, Jaap?
In de puberteit kwamen zinnen naar boven die zich onder elkaar lieten zetten met, dacht ik toen, diepzinnig resultaat. Haha. Na mijn dertigste begon ik opnieuw. Door het winnen van de poëzieprijs ‘Nijmeegse Inkt’ in 1987 kwam ik via jurylid Cees van der Pluijm in contact met Drs. P en toen was er geen houden meer aan.

Ik ken geen enkel vrij vers van je. Je lenigheid in taal is te vergelijken met Epke Zonderland aan de rekstok: schreef je vanaf het begin al met rijm?
Mijn eerste ervaring met rijm en metrum was ‘Anneke Tanneke toverheks/ Zit met haar neus in de mellekfles’, gereciteerd door een medekleuter en de verrukkelijke sensatie die dat teweegbracht heeft me nooit verlaten. Al bleek het later halfrijm.

Door welke dichters voelde jij je toen aangesproken? En nu?
Als kind door Drs. P, Daan Zonderland, Kees Stip en John O’Mill. Als puber door Adriaan Roland Holst en natuurlijk J.C. Bloem. En Jan Greshoff, een slordige dichter, maar recht voor zijn raap. Nu geniet ik van Mieke van Zonneveld; elegante zinnen in vloeiend-meanderende regels. En van Delphine Lecomptes barokke werken met heerlijke woorden en ogenschijnlijk alle kanten uitwaaierende hersenspinsels, die toch allemaal een betekenis hebben.

Wetenschap, geschiedenis en filosofie zijn vaste thema’s in je werk. Je tweede vers komt uit Uit vrije dwang van Aboe l-‘Alaa al-Ma’arri, een Syrische dichter en vrijdenker van zo’n duizend jaar geleden. Wat spreekt je zo in hem aan?
Cees van der Pluijm zei ooit: ‘Waarom berijm je je boekenkast niet?’ toen ik om een onderwerp verlegen zat. Hieruit ontstonden die bundels, want die boeken stonden nu eenmaal in die kast. Al Ma’arri spreekt me echt aan omdat hij al in de elfde eeuw pleitte voor zelfstandig denken en tekeer ging tegen domme godsdiensten. Ik wilde de islamitische gemeenschap hier hun eigen Voltaire geven, maar het boek is totaal veronachtzaamd. Klungelvertalingen door Beroemde Dichters werden bejubeld, want door niet-rijmend, niet-metrisch en letterlijk te vertalen ontstond iets onbegrijpelijks, wat dan voor diepzinnig werd versleten.

Al-Ma’arri schreef streng-metrische gedichten vol woordspeligheid. Het vereist een grote beheersing van het metier om met behoud van inhoud, metrum en rijm, een Nederlandse versie te maken. Wat is het dat je aldoor kiest voor de vaste versvorm?
Het dwingt tot nadenken en nauwkeurig omgaan met de taal, ons belangrijkste middel om gedachten, gevoelens en bedrog over te brengen. Uit vrije dwang is een mooi voorbeeld: de titel Luzum ma la yalzam werd vertaald als De niet-verplichte verplichting, De zelf-opgelegde dwang, Het nut van het nutteloze, De noodzaak van het niet-noodzakelijke enzovoort. Klinkt lekker poëtisch en mysterieus. Maar hij doelde op de extra strenge rijmregels die hij zichzelf oplegde. In alle vertalingen verdween dat strenge rijm, waaraan nota bene de titel is ontleend. Uit vrije dwang leek me meer recht te doen aan de oorspronkelijke titel, omdat het een woordspeling is, die zo gehandhaafd bleef. Ik werkte samen met de arabist Pieter Smoor, die de oorspronkelijke teksten in het Midden Oosten bestudeerd heeft. Maar goed, die vrij gekozen dwang brengt enkel winst en leidt tot verrassende vondsten en breinopwellingen, die anders nooit gedaan zouden zijn.

Jouw verzen zijn gelardeerd met woordspel, spitsvondige ironie, soms met sarcasme. Spot wordt beschouwd als een manier om aan de minder lichtvoetige kant van het leven het hoofd te bieden. In welke mate geldt dat voor jou?
Wie zich de moeite getroost na te denken, komt tot onvermijdelijke conclusies. Als dan blijkt dat het leven ongerijmd en zinloos is, kun je maar beter zelf een zin maken die rijmt, waarin je bespot wat nu eenmaal bespottelijk is.

Sommigen menen dat light verse enkel bedoeld is als amusement. Toen Driek van Wissen in 2005 Dichter des Vaderlands werd, was daar kritiek op. In serieuze poëzie kan nagenoeg van alles geschreven worden, alsof raadselachtige zinnen garant staan voor diepgang. Heb jij enig idee waar zo’n verschil in appreciatie vandaan komt?
Dat verschil in appreciatie bestaat alleen bij arrogante kwasten die zinnen schrijven die beginnen met ‘Poëzie moet’. Poëzie moet helemaal niets. Stromingen en stijlen bestaan naast elkaar. Toen Driek van Wissen Dichter des Vaderlands werd ging Ilja Pfeijffer schuimbekkend tekeer. Nu schrijft hij zelf sonnetten en pocht hoe knap ze in elkaar zitten. Dat zitten ze niet. Het is dit slag, die hun kleding aanschaffen bij de firma De Keizer die neerzien op light verse. De laatste jaren zie je meer en meer dichters die beide genres beoefenen omdat ze merken dat het creatief en lenig omgaan met de taal in strakke vormen genoegen verschaft en het vernuft scherpt. En dat het ook bij het schrijven van vrije verzen helpt door meer inzicht in de werking en evocatie van de taal. Het onderscheid is ook vaak denkbeeldig: het hangt maar van het onderwerp af. Tegenstanders noemen elk vormvast gedicht light verse: blijkbaar is er eeuwen niets dan light verse geproduceerd. Je kunt van lichte gedichten spreken als de toon licht is, maar dat kan ook in een vrij vers.

In je ollekebolleke wordt de ik-figuur door de muze van het lierdicht opgeroepen aan het werk te gaan. Maar de dichter blijkt een ‘waternaarzeedrager’: zijn werk heeft eigenlijk geen zin, tenzij het dragen zelf het doel is. In hoeverre verwoordt dit je visie op poëzie?
Iemand met een waterpomptang werkt, iemand die gedichten schrijft is zinloos bezig, maar kan zichzelf wijs maken dat het bijdraagt aan iets. Onze voorouders bestookten elkaar met gedichten (allemaal light verse) bij religieuze of politieke twisten. Dat verdween na de Vijftigers en kwam een beetje terug door de Dichters des Vaderlands Van Wissen en Komrij en stadsdichters. Maar de stadsdichters beginnen alweer te verdwijnen en de Dichter des Vaderlands wordt niet meer gekozen, maar benoemd door de Oude Regenten die niets van rijm willen weten en is weer tandeloos. Deze doorwrochte beweringen omschrijven mijn visie op poëzie: iets te melden hebben op creatieve en vakkundige wijze, in vormen, die dwingen tot nadenken over een heldere formulering. Om mezelf te plezieren en hopelijk de lezer. Maar dit geldt voor mezelf en is geen waarde-oordeel over vaste of vrije verzen. Om mezelf te parafraseren (uit Light verse, wat is dat eigenlijk? Op www.hetvrijevers.nl): bij versvormen reken ik ook het vrije vers, simpel omdat dat ook een vorm is, die aan zijn eigen eisen moet voldoen. De vele rotzooi is geen argument tegen vrije verzen, dan heb je het over kwaliteit: zoals sinterklaasgerijmel geen argument tegen light verse vormt.

Ben je al met een nieuwe bundel bezig en zo ja, wat wordt het thema en welke versvorm kies je daarvoor?
Op het moment werk ik aan een bundel met gedichten bij grafisch werk van Diana Huijts, met Nijmegen en de Waal als onderwerp. Ze wordt geïnspireerd door de Japanse prentmaker Hokusai en wilde graag haiku.. Maar ik word nog liever dood in een sloot gevonden dan betrapt te worden op een haiku. Ik ontwierp iets tussen haiku en pantun: een drieregelig vers in vierjambige regels met mannelijk rijm, aab, de eerste twee regels rijmen en beschrijven de prent, de derde regel sluit daar op aan, maar moet zelfstandig leesbaar zijn als losse moraal of overpeinzing. Een scheurkalenderwijsheid zeg maar, waar haikuliefhebbers zo dol op zijn. Bijvoorbeeld een afbeelding van de Voerweg die in een bocht vanaf de Waal omhoog gaat naar de stad, met de rivier en de Waalbrug op de achtergrond:

De weg buigt als de bruggenboog
En voert ons moeizaam steil omhoog
De stroom zoekt steeds het laagste punt

Lekker haiku-achtig en lekker makkelijk. Zonder waterpomptang.

De analyse van Van den Borns gedicht ‘Hemels tafereel’ staat  op http://klassiekegedichten.net/archief/klas209.html