Recensie van Het Liegend Konijn 2018/1 - Jozef Deleu

De stand van zaken

Jozef Deleu
Het Liegend Konijn 2018/1
Uitgever: Polis
2018
ISBN 9789463103145
€ 20,00
256 blz.

Jozef Deleu laat in het eerste nummer van Het Liegend Konijn opnieuw zien hoe gevarieerd het Nederlands/Vlaamse poëzielandschap is. De bundel begint en eindigt met lange geëngageerde gedichten van respectievelijk Obe Alkema en Arno Van Vlierberghe. Alkema is de dichter die een weg moet zien te vinden in de kakafonie van het huidige leven. ‘Verhalen van Europa’ begint als volgt: ‘Mannen. / Midden jaren tien liep ik vast in besluiteloosheid. / De fictie (hopen te kunnen) onderscheiden van de officiële /                  geschiedenis en je dan het omgekeerde realiseren.’ Het gedicht ‘mark baumer is dood’ van Arno Van Vlierberghe is drie bladzijden lang. Uit de inhoudsopgave begreep ik dat het een fragment is van een groter geheel. Het begint met de regels: ‘Hier staan we dan, in ons zelfgekozen nu. / Het einde helder, grotesk in zicht. / Een plompverloren schuld, die ons vertaalt, verspreidt, uitdunt.’ Het eindigt met: ‘Wat moeten we doen wanneer niets meer kan? / Hier staan, in ons zelfgekozen nu.’ En tussen deze begin- en eindregels vraagt hij zich onder andere af hoe te dichten in een wereld waarin Mark Baumer, dichter en milieuactivist, werd doodgereden toen hij blootsvoets door de Verenigde Staten trok om de aandacht te vestigen op de klimaatverandering.  ‘Hoeveel Mark Baumers kunnen we dit jaar nog verliezen? / Ik wil een vuurtoren bouwen met de schedels van alle Mark / Baumers die we in 2017 verloren. / Het bloedrode licht kilometers ver de wereld in knuppelen. / Branden op het gevoeligste netvlies, de fijnste zenuwuiteinden van / de economie dichtschroeien.’ Maar hoe?

De bundel bevat relatief hermetische gedichten van Giuseppe Minervini en Peggy Verzett, maar ook het vertrouwde parlando van Luuk Gruwez. Ik moest lachen om zijn hekeldicht ‘Afscheid van een recensent’. Ik kan het niet laten om het in zijn geheel over te nemen.

Eindelijk, eindelijk kunnen we rustig slapen.
Ik hou er maar mee op mezelf en jullie nog
te kwellen, slaafs aan oordelen te onderwerpen,
want zelfs een blindeman kan zien dat dit
waarachtig nergens meer toe dient.

Heb ik mij dan vergist, ten onrechte mijn data
op de oneindigheid geplakt, beduusd door wat
er over jullie wonderlijke ik te melden viel?
En kwam het op mijn inzicht echt niet aan, maar
op de hevigheid waarmee ik jullie op wou vrijen?

Slechts enkelen werden gekoesterd, soms stuntelig,
met heel mijn literaire libido. En ook dacht ik:
men blijft bestaan zolang men weet hoe laat het is.
Nu kunnen jullie, net als ik, op beide oren slapen.
Niet langer zal ik jullie liefhebben of haten.

De beeldspraak van Sara Haven is goed getroffen en humoristisch (en tragisch, maar dat ligt in elkaars verlengde). Het gaat me om het garneren in de derde strofe van ‘het feest waarvan ik droomde’:

het feest waarvan ik droomde
toen ik nog geloofde
in einden en beginnen

is niet gekomen
dus ik berg de stoelen
met de gasten

haal de kippen uit hun ren
en garneer ze
met het onaangeroerde eten

Ook dichters als Charles Ducal, Eva Gerlach, Delphine Lecompte, Willem Thies en Mustafa Stitou kregen een plaats. Ik had me niet gerealiseerd dat Tempel, de laatste bundel van Stitou, al in 2013 is verschenen. Het is tijd voor een nieuwe.

‘Memento’ van Peter Mangel Schots zou je kunnen lezen als een illustratie bij het befaamde essay Waarom we poëzie haten van Ben Lerner. Mangel Schots keert zich zowel tegen ‘in brons gegoten’ gedichten die zijn voorbestemd voor de eeuwigheid als tegen de taal van ‘billboards en barnum’ die ‘een onwankelbare / twijfelloze zekerheid [afficheren], volmaakt geluk als wet / van Meden en van Perzen’.  Het gaat hem om heel iets anders. De laatste drie strofen van het gedicht:

ik moet beginnen
zonder voornemen iets te maken
waar niet aan te tornen valt, duizend woorden
mogen het eerste zijn, geen onwrikbaar begin
geen monolithisch midden
nauwelijks een eind

elk falen is een zegen
een absolutie van het absolute
het volstrekte wonder dat te zien

ik breek nu vazen om ze weer te kunnen lijmen
en te leren uit de onbeholpen naden
hoe het licht naar binnen sluipt

Elk falen is een zegen: het doet denken aan het ‘Fail again. Fail better’ van Samuel Beckett, iets waarop ook Lerner varieert in zijn essay. Ik citeer uit mijn recensie van 26 februari 2017: “Ieder gedicht schiet tekort en vormt slechts een afspiegeling van het verlangen ‘om [zo schrijft Lerner] voorbij het eindige en tijdelijke te komen – voorbij de mensenwereld van geweld en verdeeldheid – en om het transcendente en goddelijke te bereiken.’ Dat is onmogelijk: zoals bekend lopen dichters op tegen de grenzen van de taal. Het onbestaanbare volmaakte gedicht noemt Lerner het virtuele. Hij stelt dat tegenover het feitelijke: het gedicht zelf.” Bij Mangel Schots: tussen de naden van de gebroken (taal)vazen kan iets van dat virtuele naar binnen sluipen. Mooi is de paradox: juist door niet naar een eeuwigheidswaarde van zijn gedichten te streven, roept hij een vermoeden van dat virtuele op. Zijn beeld bracht me trouwens een mooie regel van Gerbrandy in herinnering: ‘Waar grammatica kiert kent lichtval een uitweg’ (Voegwoorden, p.627).

Ik vermoed dat Jozef Deleu het gedicht ‘Memento’ in zijn achterhoofd heeft gehad bij het schrijven van zijn inleiding ‘Poëzie moet gevaarlijk zijn.’ Hij beroept zich expliciet op Lerner: alleen met een zeer kritische houding ‘waarmee men de eigen discipline en haar beoefenaars te lijf durft te gaan’ kan men poëzie beschermen, want ‘poëzie of wat ervoor door wil gaan [surft] al te vaak [mee] op het modieuze gebabbel van commentatoren die haar via parafrases of slappe performances van haar dubbele bodem en diepgang ontdoen.’ Stuitend vindt hij dat. ‘Op die manier verwordt poëzie tot een lichtekooi die wat vertier moet brengen in een sombere wereld. Ze wordt een hapklare brok voor handige reclamemakers, een stimulerend middel voor de consumptie.’
Deleu heeft gelijk, maar er klinkt wel veel wanhoop op uit zijn inleiding. Dat blijkt uit het welhaast bezwerende gebruik van het werkwoord ‘moeten’: ‘Poëzie moet gevaarlijk zijn’ (de vraag wat gevaarlijke poëzie dan in vredesnaam is, laat ik hier in het midden); het essay van Ben Lerner ‘geeft de richting aan waarin gedacht moet worden’; in goede poëzie ‘moet de taal passie, ontregeling, inzicht en visie verwoorden’; poëzie ‘moet aan onze ervaringen en inzichten perspectief en diepgang verlenen.’ (De cursiveringen zijn van mij).
Laat ik hier nog een moetje aan toevoegen: nog niet gebundelde poëzie moet een goed zichtbaar podium hebben. Deleu biedt dat keer op keer.