Gedichten Jaap van den Born

Leeg

Het universum om ons heen bestaat
Zoals de vierkantswortel uit -1
Het is er niet, al valt er mee te werken

U ziet dus niets dan leegte om u heen
Al denkt uw geest ook heel wat op te merken
Maar het concept van geest is ook al leeg

Slechts hij die zijn niet-zijn zo kan beperken
Nooit zag, dacht, hoorde, voelde en steeds zweeg
Begrijpt waar het in wezen over gaat

De ware kennis is dus kort gezegd
Slechts voor de ware leeghoofd weggelegd

(Nāgārjuna, circa 150-250)
uit Een hoop genavelstaar, rijmcanon van de Oosterse filosofie

 

O gouden schilden die het kwaad afweren!
Uw dragers zijn verzwolgen door de Tijd
Waarom zou ik dan naar belezenheid
Naar studie en begrijpen gaan begeren:

Het is slechts ondergang waar dit toe leidt
Gods wijsheid liet mij bloeien en floreren
Met slechts één doel: het snoeimes te trotseren
De door hem aangestelde wacht ten spijt

Niets kan de rampen uit ons leven weren
Wij zijn een schip dat op de golven rijdt
En ankert bij de Dood, en eeuwig scheidt
Het leven zich dan van de sterrensferen

De hoge bergen blijven en als krijt
Staat bleek de maan en razend galopperen
Kamelen van het noodlot, zij lanceren
Hun woeste aanval; niemand krijgt respijt

Wie poogt door vlucht zijn kansen te doen keren
Voelt dat de doorn zijn voetzool openrijt
Hij struikelt over schedels – een tapijt
Dat kil een onheilsmaan laat reflecteren

Wie treuzelt bij tumult en wapenfeit
Die staat opeens vooraan bij decoreren
Wie in de slag vooropgaat met chargeren
Die raakt geheid zijn kop-positie kwijt

uit  Uit vrije dwang (Luzum ma la yalzam), vertaalde gedichten van Aboe l-Alaa al-Ma’arri (met de arabist Pieter Smoor, Uitgeverij De vrije gedachte, 2007

 

Dichtwerk

‘Ga toch eens werken man!’
Daar is Euterpe weer
Werken? Ik grijp naar
Mijn waterpomptang

Want als poëet ben je
Waternaarzeedrager
Al wat je weet
Weet de zee al heel lang

(nieuw, primeur voor Meander)