Gedichten Rinske Kegel

Vis

In geen andere ogen dan
de jouwe is het licht
zoals het in de vroege avond
door gesloten luxaflex heen piept

Sijpelend, dansend stof
bijna verdwenen
in het vreemdgaan
in het zuchten over andermans dromen
in de naïeve wens voor eeuwig te willen leven

Zoals een pit in de groenbak
de bijvangst in een visnet
nergens zo tergend hoopvol
zo naar adem happend

 

Crackers

Had ik beter voor ander landen moeten zorgen
met name de gebombardeerde en uitgedroogde
had ik water moeten druppelen op gebarsten lippen
landen zijn net mensen

Ik deed een pak crackers in de zak van Het Leger Des Heils,
ik begreep niet wat ze aan kleding zouden hebben
als ze honger hadden

Ik was een rijk land
ik deelde koekjes uit aan de poppen
iedere pop kreeg evenveel
behalve mijn lievelingspop Rosa
maar ze pasten allemaal in mijn armen

 

Ochtenddauw

Zwart zieltje, kolenfabriekje,
mijnschachtje, riooltje,
vertel wat er is gebeurd.
Wanneer is de kleur vervaagd,
het licht verdrongen.

Was het toen je een kind verwekte
op een natuurkampeerterrein ?
Of veel eerder al, toen je zelf verwekt werd,
je maar een halve wens was,
nog meer iets dat gewoon ontstond
als de ochtenddauw op een blad.
Schitterend als een parel
wachtend op de vernietigende
warmte van de dag.

 

Alles is goed, mama

Ik zag een schip met jou er in, het was een heel groot schip.
Jij was een puntje op dat schip, een enorm schip, de zee nog groter.
Je bestuurde het schip maar dat wist je nog niet.
Je wist wel waarheen maar je zag het nog niet.
Wat leek je klein op die zee, op dat schip. Ik zag de hele zee
met alles erin, de haaien, de kliffen, de ijsbergen,
de stormen die zouden komen, de lekkages, de stroomuitval.
Jij op dat schip zonder zwemvest, zonder iets, helemaal bloot
en koud op dat schip en dat hele schip verroest, het was eigenlijk een vlot,
meer een balk, een plank waar de rot in zat, waar je je
aan vastklampte met je laatste krachten en je zou vast verdrinken.
Ik dacht: wie laat er nou haar eigen kind ten onder gaan, verzuipen
in je eigen hoofd, wie laat haar een metafoor zijn van angst.

Jij bleef gewoon varen, je bleef drijven, je zag de wolken
weerspiegeld in het water, vliegende vissen en eilanden
met groene bossen. Je ging ergens heen en je zou
ergens aanleggen en iemand zou zijn hand uitsteken
om je van boord te helpen, er zou een bed zijn en brood en thee.
Vreemd eten dat naar meer smaakte, nieuwe gewoontes.
Er zouden mensen zijn om verliefd op te worden
en mensen om je aan te ergeren. Iemand die van je
zou winnen met schaken. Je zou een ansichtkaart
sturen met: alles is goed, mama,
ik heb verloren met schaken,
maar ik ben verliefd.