Klassieker 222

Meander Klassieker 222

Na het overlijden van Rob de Vos april jl. is het lange tijd stil geweest rond de Klassiekers. Na een paar weken zijn de recensies opgestart, en daarna de interviews en gedichten. Nu dan toch eindelijk de analyse door Jan Buijsse van ‘Leven op de aarde’ van Paul Snoek.

Paul Snoek was in 1955 een van de medeoprichters van het avant-gardistisch tijdschrift ‘Gard Sivik’, dat zich deels afzette tegen de verbale experimenteerkunst van de Vijftigers. Toch geniet hij in Nederland geen grote bekendheid, “de Nederlandse en de Vlaamse poëzie blijken toch telkens weer twee wat van elkaar afgekeerde systemen te zijn”.

Leven op de aarde

Zand in de armen van alle andere zand
gedragen door het wachtend liggen der
woestijnen. Sombere stilte van planten
bijna altijd drijvend. Het levensgeheim
van de nevel en het steeds zegenend water
voedzaam uit de borsten van de hele regen.

De huid van de meren. De vervellende zee
en ijzer geplooid naar de wil van de bergen.
De duivelse rust van de loutere wouden,
diep dromend aan de bronnen van hun schaduw.
De orde tenslotte van alles, dat leeft in
de weelde van zonder woorden te spreken.

En dan de mens, die moe begon te eten van
de lucht, vuur uitvond en steen tot steen
bewerkte, de zee betrad maar zonder vleugels
niet naakt kon zijn en goden opriep willoos
om nog eenzamer, gedwee de wonde te ontdekken
dat de dood, de oudste zonde is van de aarde.

Paul Snoek (1933–1981)

uit: Hercules (1960)
Uitgever: Manteau

Het is mogelijk dat Paul Snoek (ps. van Edmond Schietekat) een in Nederland langzamerhand wat vergeten dichter is. Alweer meer dan 35 jaar geleden verongelukte hij in zijn gloednieuwe Alfa Romeo en wat meer is: de Nederlandse en de Vlaamse poëzie blijken toch telkens weer twee wat van elkaar afgekeerde systemen te zijn. In de overzichtsbloemlezing Hotel New Flanders (1) staat menig Vlaams dichter wiens naam in Nederland volstrekt onbekend is, dichters die in de ‘Dikke Komrij’ nogal eens ontbreken. Snoek staat in beide overzichten, dat dan weer wel.

Snoek was een beeldrijk dichter (‘Wolken roze cobra’s van de dag’), beeldend kunstenaar als hij ook was. De zee, het water als levensbrengend element , de zon als een vernietiger (‘De morgenstond heeft schroot in de mond’) domineren zijn symboliek. ‘Water’ is voor Snoek zelfs een werkwoord (2), het wakkert zijn creativiteit aan. En creatief was hij, ondanks enige perioden van inzinking: zijn Verzamelde gedichten beslaan zo’n 700 pagina’s. In ‘Leven op de aarde’ formuleert Snoek zijn ‘Genesis’. Van een ongerepte planeet naar een bedorven leven op aarde.

‘Leven op de aarde’, een heffingsvers met drie strofen, acht zinnen, 138 woorden. Bij een eerste, tweede lezing – en nog niet veel meer dan dat – vallen meteen een paar aspecten op. Assonantie is een belangrijk structuurelement in dit gedicht, vooral in de eerste twee strofen, en verder doorheen het hele gedicht de alliteratie. Hierdoor wordt een sterke samenhang gesuggereerd: de klanken brengen betekenissen bijeen, wat trouwens nog wordt geïntensiveerd door een bepaald soort zin – op dit laatste kom ik nog terug. Ik ga hier verder niet alle klankvoorbeelden opnoemen maar wil toch even bij het eerste stilstaan, ‘Zand in de armen van alle andere zand / gedragen door het wachtend liggen der / woestijnen.’ Een schitterend beeld, gedragen door de veelheid aan [a]-klanken, tegelijk rust en uitgestrektheid suggererend. Het lijken kernregels in Snoeks werk. In 1963 (dus na Hercules) schreef Snoek de verbindende teksten in het fotoboek Op de grens van land en zee van Martien Coppens (3). Het is een ode aan de zee en allerlei inhoudselementen uit ‘Leven op de aarde’ keren erin terug. Zo de lichtvariërende regel ‘Zand, gedragen door de armen van alle andere zand,’ en een aantal andere omschrijvingen met ‘zand’ (4). Daar ook de waarde van ‘zand’: ‘Zand, dit betekent stoffelijk en eeuwig’.

Naast de vele klankrelaties is er de woordkeus. Ook hier beperk ik me. De tweede strofe begint met een prachtige intrinsieke tegenstelling, namelijk die tussen vluchtigheid en absolute kracht. Allereerst is er de windstilte op de meren en daarnaast de storm op zee, uitgedrukt in ‘huid’ en ‘vervellend’. Maar binnen dit register valt ook ‘geplooid’. De plooien van het ijzeroer (ik gebruik het tweede deel van deze samenstelling niet voor niets) worden veroorzaakt door de bewegingen in gebergten. Is wind voorbijgaand, oppervlakkig, terloops, de platentektoniek lijkt eerder stilstand maar is een diepgaand en onherroepelijk bewegingsproces.

Een derde element dat sterk de samenhang uitmaakt, is de syntaxis. De eerste twee strofen bestaan samen uit zeven zinnen, een zesledige opsomming en een conclusie. Het zijn alle ellipsen. De werkwoordsvormen daarin zijn vijf maal het onvoltooid deelwoord en twee maal het voltooid deelwoord (5). Deze laatste twee sluiten aan bij het onvoltooide: ‘gedragen door’ en ‘geplooid’ suggereren sterk een statische toestand, net als de onvoltooide deelwoorden. Deze twee strofen beschrijven namelijk de oertoestand van ‘De orde tenslotte van alles, dat leeft in de weelde van zonder woorden te spreken.’ Het woord ‘tenslotte’ concludeert. De lyrische verteller legt het ons maar eens uit: in den beginne was er niet het woord, maar was er orde. Eeuwig en stoffelijk in eerste aanleg. En verder het stille planten- en bomenrijk en dat alles gevoed door het levensbrengend water. Ook in die laatste zin van de tweede strofe wordt de eenheid van wat er op de aarde is getoond, uitgedrukt in de [o]-[e]-klanken en de synchrone alliteratie van ‘weelde’ en ‘woorden’. Nu is het voor een dichter nogal wat zonder woorden spreken een ‘weelde’ te noemen, vooral als hij daarbij zelf een weelderige stijl gebruikt. Er wordt dan ook wel gesproken: in beelden die juist heel veel zeggen, want de dichter is natuurlijk wel aan het werk. Als er een dichter is die ons in deze zestien verzen Planet Earth toont, is het Paul Snoek wel. En de dichter ziet dat het goed is.

Was het daar maar bij gebleven. De mens zal echter alles bederven. De constructie die Snoek hier gebruikt, is ook die van de opsomming, maar nu in een doorlopende zin die de hele derde strofe beslaat, en die ook in dit geval eindigt in een conclusie. Het is er wel een zonder weelde. Snoek toont ons hier geen optimistisch-idyllisch beeld maar de verwoestende invloed van de mens, die overigens in alles het tegendeel is van de barokke kracht in de voorgaande strofen. Die mens is moe, vleugelloos, naakt (maar dat wil hij niet zijn), willoos, eenzaam, gedwee, in alles tegengesteld aan de macht en kracht van de omgeving waarin hij geplaatst is. Bijbels gezien is de mens wel de laatste stap in de schepping en staat een god aan de basis van alles maar hier is het andersom. Nadat de mens is gaan ademen, techniek gebruiken, op ontdekkingstocht ging (maar zonder vleugels; alhoewel, waar hoort ‘maar zonder vleugels’ nu bij? betreedt de mens zonder vleugels, dus toch wat gebrekkig, de zee of wil hij zonder vleugels zijnde toch niet naakt zijn? – de apokoinou maakt beide mogelijk), realiseert hij zich zijn eenzaamheid. Het is het menselijk tekort: wil de mens zich geborgen weten – onder vleugels te zijn – dan beveelt hij goden tevoorschijn te komen om daarna te ontdekken dat die goden hem weinig verder brengen en dat het mens-zijn, het leven, eigenlijk een absurditeit is. Om aan die absurditeit te ontkomen kan de mens zich laten leiden door een religie met een leven na de dood, maar hier zijn het juist de door de mens zelf opgeroepen goden die hem die weg versperren. Een leven in vrijheid is er duidelijk niet bij. Snoek verwoordt dit door paronomasia: wonde – zonde, het kleine klankverschil doet de woorden met de verschillende betekenis toch semantisch bij elkaar trekken. De woorden ‘willoos’, ‘wonde’ en ‘zonde’ staan wel in een leuk schuin aflopend trapje onder elkaar. En dan nog de titel. Niet ‘Het leven op aarde’ maar ‘Leven op de aarde’. Door het lidwoord is er afstand, het gaat om die planeet en leven erop valt nog niet mee, althans niet voor de mens.

Twee maal in dit gedicht is er sprake van spreken. In de ongerepte staat van de aarde is het spreken zonder woorden een weelde. Woorden zijn de bouwstenen van betekenissen en daarzonder geen communicatie. Die is in de ongeschonden toestand waarin de aarde zich bevindt, ook niet nodig: er is orde en die is vanzelfsprekend. Maar de mens stoort zich niet aan een status quo, hij wil dynamiek, ontwikkeling, de vleugels uitslaan. Hij heeft wel woorden nodig en gebruikt die om goden op te roepen, te bevelen zelfs om te verschijnen – het aangeroepen wezen. Door woorden worden goden gecreëerd. Het is een doorbreking van de orde, de willoze mens moet zich onderwerpen aan de oudste zonde. Het is nog erger dan Camus’ Sisyphus, die werd tenminste nog een gelukkig mens. En zo eindigt het gedicht dat begon met eeuwigheid, met tijdelijkheid.

De stijl die Snoek in dit gedicht hanteert, heeft een aantal maniëristische trekken. Komt in een gedicht wel eens assonantie of alliteratie voor, hier is het gebruik overvloedig. Alleen al in de eerste strofe kunnen twintig van de veertig woorden daaraan gekoppeld worden, met als opvallend voorbeeld levensgeheim – nevel, waar ‘nevel’ – naast de omkering – ook geheimzinnigheid in zich heeft, dat andere voorbeeld van paronomasia. Daarnaast de ‘onaffe’ vorm van alle zinnen in de eerste twee strofen. Ook een omschrijving als ‘eten van de lucht’ valt daaronder. Alhoewel de beelden een zekere grootsheid uitdrukken, is de stijl eigenlijk nogal gekunsteld, dringt hij op de voorgrond. Toch gaat dat wat mij betreft wel samen. Een gedicht als dit moet vooral hardop gelezen worden. Misschien is de textuur niet geschikt om wat uitgeplozen te worden, maar ja, zo nu en dan gebeurt dat toch.

Jan Buijsse

____

(1) Hotel New Flanders. 60 jaar Vlaamse poëzie 1945–2005, samengesteld door Dirk van Bastelaere e.a., Gent 2008 (Poëziecentrum).
(2) ‘B.v. in het werkwoord water’, de laatste regel van het poëticale gedicht ‘Het staat geschreven’ (Vg, p. 428). Snoeks symboliek komt goed tot uiting in een bundel als Gedichten 1954–1968, maar dat is dan ook een van Snoeks thematisch geordende en programmatische zelfbloemlezingen.
(3) Op de grens van land en zee, uitgave van Chemische Fabriek L. van der Grinten, Venlo 1964, foto’s Martien Coppens, tekst Paul Snoek, vormgeving Jacques Peters.
(4) Verzamelde gedichten, pp. 391–408. Eerder al had Snoek van ‘zandtapijten van de aarde’ gesproken. ‘Leven op de aarde’ is ook te vinden in: Gedichten 1954–1968 (1969), p. 103; Verzamelde gedichten (1982), p. 310.
(5) De persoonsvorm ‘leeft’ staat in een bijzin, de hele zin blijft een ellips.

In de Meander Klassiekers bespreken we elke maand een bijzonder gedicht, dat de tand des tijds heeft doorstaan. Of zal doorstaan. Sinds 2000 zijn in deze reeks ruim 200 analyses verschenen. Klik hier voor een overzicht.

Reageren op deze bespreking? Neem contact op met Meander Klassiekers. Het e-mailadres is: Xklassieker@klassiekegedichten.netX (de letters X uit dit adres verwijderen!)

Zelf een bijdrage leveren? Klik hier voor meer informatie.

Eric van Loo, redacteur Meander Klassiekers